Door Rob & Nelleke Kool  
  HOME ::
     
Bretagne 2009

30 April

Met de TGV rijd ik terug van Parijs naar Tiel. Nederland is in rep en in roer. Een idioot heeft getracht om met een Suzuki Swift de Oranje bus te koppen. De ellende is niet te overzien, en de dader komt er mee weg. In het bezit van een Darwin Award wordt hij ten grave gedragen.
De volgende nacht gaan we weer terug naar Frankrijk. Encore en Bretagne.

1 Mei

De 965 kilometer van huis naar Ploumanac’h wordt zonder noemenswaardige onderbreking afgelegd. Een uitgebreide stop in Noord Frankrijk, met uitzicht op de Cliffs of Dover (ja, het is mooi weer) en een stop in Normandië (nog steeds mooi weer: uitzicht op de Mont St.Michel). Daarna rijden we de vertrouwde camping “West” op waar Oscar en Marion al een dag zijn.
Ik maak een duik bij de Ranolien, en verder is het mooi.


2 Mei

Dit jaar is het 20 jaar geleden dat we voor het eerst in Bretagne kwamen. Geen liefde op het eerste gezicht, maar het duiken is fantastisch, dus we kwamen terug. Langzaam groeit de waarding voor de Keltische cultuur, het heuvelachtige landschap met zijn waanzinnige kusten en prachtige flora en de typisch Bretonse bouwstijl. Alles ziet er uit of het al duizend jaar zo is en alsof het nog duizend jaar zo zal blijven. Kortom, een plek om tot rust te komen.
De dagen zijn dan ook overzichtelijk. Je verzet je krachtig tegen het wakker worden, maar op enig moment gebeurt het toch, waarna je naar de dorpsbakker gaat om brood en croissants te bestellen.
Deze vakantie begint zeer verontrustend. De bakker is weg. De winkel is er nog wel, maar alles is er uit verdwenen. Alleen het uithangbord herinnert aan de, zelfs voor Franse begrippen, geweldige broden, pains du chocolat en croissants. Licht verontrust kijk ik rond. Weliswaar komen we hier nu al zo lang dat we nog wel wat brooduitgiftepunten kennen, maar da’s verder rijden. Fransen zijn een voorspelbaar volk. Brood moet binnen loopafstand te krijgen zijn. Redelijk snel zie ik dan ook een vrouw met twee stokbroden onder haar arm. Nu is het slechts een kwestie van zoeken in de richting waar de broden vandaan kwamen. En inderdaad, twee keer de hoek om en ik sta voor een patisserie.
Deze nieuwe bakker is onmiddellijk begonnen met het economische risico van zijn nering te spreiden. Hij verkoopt ook taarten, snoep en souvenirs. Bovendien staat de oven midden in de zaak waardoor het ambachtelijk gehalte en daarmee de toeristisch toegevoegde waarde sterk toeneemt. Daarnaast heeft dit bakkersgezin een koddig bootje voor de deur gezet om het Bretonse gevoel te versterken.

Met lichte twijfel doe ik mijn inkopen, maar het valt honderd procent mee. De kwaliteit doet eigenlijk niet onder voor de oude bakker. We hadden het natuurlijk al kunnen weten. Op deze plek was vroeger “dat” dorpje. Tenzij producten in Lutetia ingekocht kunnen worden maakt men ze zelf. Als daar bedenkingen tegen zijn wordt degene die te weinig presteert gewoon het dorp uit geslagen. Hoewel het slaan zich tegenwoordig beperkt tot het bewerken van het roze graniet, leeft de geest van de Gallische kwaliteit van Asterix voort.
Inmiddels is het verhaal al langer dan de hele ervaring van deze eerste dag. We houden het rustig. Eerst rijden we naar de parkeerplaats bij de vuurtoren, waar ik een verkennend duikje maak. Terug op de camping is Jan G ook aangekomen. Ook hij wil rustig beginnen, dus het blijft bij één duik. ’s Middags maken we een wandelingetje door de haven en langs de molens die draaien op getijdenwater.

3 Mei

In de serie “tam en ontspannend” beginnen we, na een bezoek aan onze nieuwe Ploumanac’hse vriend de dorpsbakker, aan een uitstapje naar Le Yaudet. Toeristische heeft deze plaats alles mee, op een klein detail na: het ligt in een hoek waar niemand ooit komt.
Wie toch de moeite neemt rijdt langs een prachtige oude molen naar een hele mooie baai met een enorm getijdenverschil.

Naast de baai heeft de plaats nog twee hoogtepunten. Allereerst is er de oude kerk met de madonna te bed. In feite handelt het zich hier niet om Maria, maar om Cybèle. In de Keltische mythologie was Cybèle de moeder van de goden en de godin van de aarde. Om te benadrukken dat ze de moeder van alle goden was werd ze als kraamvrouw afgebeeld. Totdat de Christenen sterk genoeg waren om de anders-gelovigen aan te steken, hadden ze een tactiek van “if you can’t beat them, join them”. En dus werd Cybèle omgedoopt in Maria en klaar was Kees. Nu is alleen op deze plaats Maria als kraamvrouw te zien, liggend in bed met Jezus, samen onder een gehaakte beddensprei. Daarnaast haalt ieder volk uit religieuze geschriften wat ze het beste uit komt. De Bijbelse vissers worden hier in Bretagne bijvoorbeeld heel letterlijk genomen. Er hangen verschillende modellen vissersbootjes aan het plafond
Buiten de kerk liggen de resten van Gallische, Romeinse en Franse versterkingen. Hier vandaan kon men eenvoudig schepen die de rivier op wilden tegenhouden. Hoewel er eigenlijk niets meer teug te vinden is dan wat greppels en muurtjes is het heel leuk wandelen. En natuurlijk is er een feunteun. Wie dit woord voor het eerst hoort denkt waarschijnlijk aan een fontein. Soms kom je inderdaad het woord fontain tegen. In feite gaat het om een wasbak, om meer precies te zijn de dorpswasbak. Na de uitvinding van de wasmachine raakten ze in onbruik. Nu zijn ze allemaal opgebouwd uit erg grote stenen tevens is er ruimte genoeg in Bretagne. Niemand die zich stoort aan een stapel stenen. Bovendien, die dingen wegen wat. In de volgende decennia zijn ze van “overbodig” via “toch wel koddig” maar “historische verantwoord & leuk voor de toeristen” gegroeid. Wat is er nu toeristisch leuk aan een wasbak, vraag je je al snel af. Nu, da’s simpel. Een wasbak heeft water nodig. Dus zijn ze allemaal aangelegd op plaatsen waar een beekje loopt, het water zich van nature verzamelt omdat het een laag punt is, of bij een bron. Op die plekken voelen planten zich ook thuis. De meeste feunteunen (scrabbelen maar…) worden dan ook omgeven door een schitterende flora. Zeker in mei, als alles in bloei staat is dat de moeite waard.
Terug in het dorp maken Jan en ik een duik, waarna het tijd wordt voor een bezoek aan de Marché Artisanal in de haven van Ploumanac’h. Voor hen die de plaats niet kennen: de haven is net zo groot als het plaatsje. Ook de kade is bijzonder ruim van opzet. Deze is nu dus afgesloten, evenals twee straten. Neem van ons aan dat je in Ploumanac’h geen straat afsluit zonder verregaande gevolgen voor het verkeer. Twee straten en de haven is voldoende om het hele dorp af te sluiten. Maar daarvoor krijg je dan ook wat. Er staat een kraampje of twintig, waar al dan niet professionele handvaardigheidsresultaten worden verkocht. Uitgesneden munten, gehakte stenen, vilten kussens en windorgels van gekleurde stenen: het is er allemaal te vinden. Het is een kort bezoek.
’s Avonds lopen we nog even naar La Clarté, dat op spuugafstand van de camping ligt. We passeren de molen van Crac’h en komen bij het uitkijkpunt van Le Tertre. Dat hadden we tot nu toe gemist. En dat was niet terecht. Je kan er goed uitkijken over de omgeving, waarbij de Sept Isles prachtig te zien zijn.


4 mei

Het is tijd voor nog een bocht door de omgeving. We beginnen bij de Kerk van Ploubezre, die gesloten is en de Chapel de Kerfons, die alleen in het hoogseizoen open is. Les Sept Saints is het volgende doel. Het verhaal is dat in Efese (yep, Turkije) een aantal lieden om hun geloof is ingemetseld. Enkele honderden jaren later bedacht iemand dat het toch wel zonde was om zo’n mooie grot ongebruikt te laten, dus werd de ingang weer open gehakt. En kijk, daar lagen de zeven mannen te slapen. Dus sancto subito. En het aardige is dat dit zowel voor het christendom als voor de islam geldt. Hoe het verhaal uiteindelijk in Bretagne terecht is gekomen staat ook vast wel ergens opgetekend. Eindresultaat is in ieder geval dat er in Vieux Marché een kerk over een hunebed is heen gebouwd ter verering van deze zeven heiligen. Naast de kerk kan je met een trapje naar beneden om een kijkje te nemen in het hunebed, waar beelden van de heiligen zijn opgesteld (evenals in de kerk trouwens). Een nieuwsgierig Frans vrouwtje van hoge leeftijd bewaakt het dorp, dat verder uit acht huizen, een fontain, een kruis, een pomp en drie jeu de boules banen bestaat. We bewonderen het allemaal, het meeste door één keer om ons heen te kijken.
Het laatste doel is het kasteel van Kergrist. De tuinen van dit kasteel zijn ‘s middags geopend. En als je met zijn 15-en ben kan je zelfs een deel van het interieur bekijken. Vijftien halen we niet, zelfs niet als we ons breed maken en de pauwen in de tuin meetellen. Bovendien zit er niemand bij de entree. Wel hangt er een papiertje met de tekst dat we maar via de privéweg verder moeten. Daar zitten ze dan verderop om alsnog een kaartje te verkopen. Dit klopt niet, maar dat blijft een detail. We kunnen alles op ons gemak bekijken op zoek naar de kassa. Nelleke slaagt er zelfs in wilde orchideeën te fotograferen. Op weg naar de camping maken we nog een foto van “de vijf kruisen”. Niet uit bewondering, maar omdat de Bretagnegids ze als “speciaal” heeft aangemerkt.
Wel speciaal is de BBQ die we ’s avonds met zijn allen wegwerken.

5 mei

Het mooie weer laat ons in de steek. Toch bedenken we dat een ritje “ergens” heen nooit weg zou zijn. We besluiten naar de Sillon de Talbert te rijden. Onderweg passeren we een aantal oude plaatsjes met idem kerkjes. Nelleke vindt een allée couverte op de kaart. Da’s Frans & een hunebed. Hoewel de Men ar Rompet borden soms bijna volledig worden overwoekerd, is het het enige element van erkend toeristisch belang hier, dus uiteindelijk worden we er in rechte lijn heen geleid. Het hunebed is nog redelijk intact en ligt prachtig langs een baai tegenover het plaatsje Tréguier. Hierna stoppen we in Pleubian. Het heeft een dorpsplein, een kerk en is Bretons… Bij de kerk staat een calvaire die ook als preekstoel dienst kan doen. Het is een van de fraaiste die we tot nu toe hebben gezien.
Op het dorpsplein staat het monument voor de de gevallen soldaten in WO I&II. Nu is dat redelijk standaard, en hoewel triest, niet iets om iedere keer lang bij stil te staan. Maar ineens valt Nelleke iets opmerkelijks op. Het “Mort pour la France” of “Mort pour la Patrie” ontbreekt. En niet alleen hier, het ontbreekt veel vaker in Bretagne. Een stil verzet tegen “Parijs” waar ze het hier nog steeds niet erg op hebben.
Verder is Pleubian het plaatsje waar de Sillon de Talbert begint. In feite is dit weinig meer dan een drie kilometer lange landtong die is ontstaan tussen de monding van twee rivieren. Het gebied is volledig afgesloten voor verkeer, waardoor zich een prachtige duinflora heeft ontwikkeld. Het is absoluut leuk voor een wandeling en ’s zomers waarschijnlijk zéér toeristisch.
Veel leuke dingen vinden we tijdens onze vakanties door het volgen van veelbelovende borden. Dat gaat héél vaak goed. Al een paar jaar vraag ik me af waar het bord “Bro Dreger” naar toe leidt. Er is een muziekgroep die zo heet, dus het heeft iets Keltisch. Met een soepele zwaai stuur ik de VW bij en we volgen de borden. Héél vaak is niet altijd. Nu eindigen we bij het terrein van een koekjesfabriek.

6 mei

Vandaag zijn we verschrikkelijk druk met niets. We bezoeken het centrum van Ploumanac’h (6 huizen), kijken in de baai bij het beeld van St.Guirec, die met zijn stenen boot uit Ierland kwam en we doen boodschappen voor de pannenkoeken die ik later voor iedereen bak. Thomas vindt een geelbuik salamander, maar spannender wordt het niet.
Onderweg neust Nelleke nog even in het toeristische gidsje van Ploumanac’h. Het ligt in de Bretonse provincie Armorica (zoals de trouwe Asterix lezers allang wisten). Vrij vertaald betekent dat Zeeland. En daar hebben we 1000 km voor gereden…

7 mei

We overtreffen het niets doen van gisteren niet, het blijft een gelijk spel. Duiken, boodschappen doen en sokken fotograferen. Meer is het niet.
Misschien denk je dan: Sokken fotograferen? Gewoon niet doen!
Jan komt informeren waarom Nelleke sokken fotografeert op een natte steen. Maar ja, toen was dit verslag nog niet geschreven. Dus verwijzen naar bovenstaande zin was geen optie.
Dus toch maar even. Nelleke breit. Ook niet zo bijzonder, hoewel ze bijzonder goed breit. Ze beoefent dit echter in clubverband. De site Ravelry begint richting 300.000 leden te groeien en die breien allemaal, fotograferen dat en zetten het met commentaar on-line. Met zoveel leden en een veelvoud aan werkstukken is het noodzakelijk te werken aan wat onderscheid.
“Me sok” zegt, evenals “m’n trui” of “me muts” helemaal niets. “Mijn mooie sokken” maakt het nauwelijks beter. De meeste Ravelrivalen lopen van trots naast hun schoenen voor hun werkstukken. Dat komt trouwens goed uit, want dan zie je de sokken beter.
Nelleke is in ieder geval effectief en creatief in de naamgeving van haar producten (en ze draagt schoenen J ). De sok die vandaag af kwam is gemaakt in Bretagne, en de kleurschakering doet vaag denken aan het roze graniet. Dus zijn het de Chaussettes de Granite Rose. Het ligt voor de hand (voet?) om die te fotograferen op een stuk roze graniet. Maar dat komt het best tot uiting als het een beetje vochtig is.
Dus als je Nelleke sokken en natte stenen ziet fotograferen: gewoon rustig doorgaan met vakantie!

 

8 mei

De laatste twee dagen waren we erg rustig, dus vandaag besluiten we tot een iets uitgebreidere tocht. Dit begint met het afrekenen van de lucht in het dorp, want het weer is rampzalig. Voor we goed en wel Perros Guirec uit rijden klaart het al weer op en in Lannion is het prachtig. Andermaal kiezen we voor Le Yaudet, hoewel het beter is om van Ar Yeoded te spreken. We gaan nu voor het achterland van het achterland, en daar is het Bretons sterk. Even voor Ar Yeoded maken we een korte stop bij de Crac’h (Moulin). De kerk van Cybèle negeren we, het doel is nu een wandeling langs de resten van de fortificaties op deze heuvel. Hoewel, veel fortificaties zijn het niet. Wel zijn ze steeds opnieuw opgebouwd. Er zijn hier Gallische, Romeinse, 18e en 19e eeuwse bouwsels, of resten daar van. Veel was er trouwens niet nodig. De kliffen zijn te steil om met een eind hout omhoog te klimmen en een beetje een kanon was goed om de hele toegang tot het achterland vijand vrij te houden. (Lezers van Asterix en Obelix herinneren zich ongetwijfeld de piraten die met grote regelmaat in de pan werden gehakt. Vooral hier dus). Wie meer naar zee kijkt merkt trouwens een verschil met de Nederlandse kust op. Wij zijn een overzichtelijk volk. Er is land, afgegrensd door duinen of de Hondsbosche zeewering/Zeedijk bij West Kapelle en dan volgt de zee. Met wat fantasie zie je nog een boorplatform of een windmolenpark, maar voor de rest zand/zee that’s it.
In het buitenland is dat vaak anders. De grens tussen land en zee verloopt vaak met meer hapering. Het land houdt op, maar er liggen nog reeksen eilanden, alsof het land niet helemaal kan besluiten om er mee op te houden. (Een zeurneus zou nu over wadden kunnen beginnen. Deze nemen we niet serieus. Er is een Afsluitdijk en dan zee. De rest is een kwestie van tijd en klimaatverandering.
De Bretonse kust is het schoolvoorbeeld van “houden we er nu wel of niet mee op”. De Engelsen noemen het niet voor niets Britanny en geven daarmee aan dat hun eiland een onderdeel vormt van de Franse kust die er mee op probeert te houden. Wij houden het wat kleinschaliger vandaag. Maar vanuit de uitkijkpost over de baai zien we wat huisjes in de verte en er lijkt eigenlijk geen reden om die niet ook even te bezoeken.
We rijden dus nog westelijker. Het prettige van Bretagne is dat er heel veel bezienswaardigheden op sympathieke wijze langs de weg staan aangegeven. Je moet er even oog voor krijgen, en de borden Bro Dreger mijden, maar dan kom je ook ergens. Zo staat er langs onze eenzame weg naar Nergenshuizen-buiten een bordje “Domaine du Dourven”. We vinden dit, hoe kan het ook anders, aan het eind van een doorlopende straat. Het blijkt een prachtig wandelgebied door tuinen met verschillende bomen (en bamboe). Er is een prachtig uitzicht op Ar Yeoded. De wachterhuisjes zijn te zien. De kanonnen niet meer. Tegenwoordig is er slechts betonning om de toeristen te lokken.
Het park is zo groot, dat we besluiten om terug te keren naar Ploumanac’h & om dit park volgend jaar uitgebreider te bezoeken. Wel is een lichte frustratie ons deel. Aan de noordwestelijke kant van het park kijken we uit over de zee… en zien we een volgende punt. We besluiten het risico te nemen om te eindigen in Devon via een weg die door de gezamenlijke Brittaniërs geheim is gehouden en rijden verder. Een volgend sympathiek bord wijst op een Enclos uit de 15e eeuw. Het is een oude kerk. Helaas dicht, maar met de typerende Bretonse bouw met een extra ronde toren tegen de toren aan en een opengewerkt hoogste punt. Hierna is het plank gas richting “the end”, ofwel het moment waarop we links moeten rijden. Het land eindigt weifelend bij Beg Sec’har (Pointe de Séhar). Echt westelijk ligt er in ieder geval meer. Noordwestelijk zien we wat punten van eilanden. Misschien kan je met laag-laag water toch nog verder. Voor ons houdt het vandaag echter op.
We keren terug naar de camping waar we ons op maken voor de jaarlijkse bedevaart naar Buffalo Grill. Zoals bij zoveel bedevaarten: je moet er in geloven. Het is in ieder geval gezellig.

9 mei

Jan is midden in de nacht vertrokken, Les Prenenz zijn ons maar net voor. Bretagne doet iets met ons. In het geval van Les Prenenz is dit het meenemen van een voorraad kruidenboter. In de loop der jaren is dat aangevuld met het verlangen om een jaar lang deze boter zonder beperking te gebruiken. Dat levert een andere beperking op. Ik bied daarom aan Oscar aan te stampen bij het vertrek, maar de boter blijkt nog voldoende plooibaar om hem de auto in te laten glijden.
Jean Michel en Beatrice staan bij de uitgang om ons uit te zwaaien. Na veel handen schudden en het “a la prochaine” gaan we op pad naar de 2e etappe van onze Bretagne reis.
Deze leidt via een breiwinkel in Lannion naar Guincamp, een plaats die we ook nog niet hebben bekeken en die sterk wordt aangeraden. We besluiten om het op de 2010 lijst te zetten.

Volgens de kaart…

O ja, nu we het toch over de kaart hebben, ik rijd op gevoel. Daardoor kom ik er altijd, maar het mag even duren. Nelleke daaraan tegen doet in kaarten. En ik moet zeggen: dat doet ze zeer bekwaam. Ze laat zich daarbij de laatste tijd ondersteunen door een TomTom. Dat werkt voor geen meter omdat dit apparaat geen satellieten kan vinden (hier geen verwijt, ik heb er ook moeite mee) of omdat de satellieten niet kunnen wennen aan mijn “rijden op gevoel”. Maar door de perfecte kaartbehandeling is Tom toch maar een bijkomend en overbodig comic relief.

Wat kaarten betreft heeft Nelleke wel een tic. Het moet een nieuwe kaart zijn. De weg naar Ploumanac’h kan ik inmiddels achterstevoren met 140 km/uur rijden, waarbij ik alleen even moet opletten bij Breda en Rouen. Dus “is de kaart niet wat verouderd” werkt niet. Daarom (al is haar lezing geheel anders) kwam ter hoogte van Gorinchem de verschrikte mededeling dat ze de kaart was vergeten. Iedereen snapt dat dit de oorzaak is van de mooie nieuwe kaart van geheel Frankrijk in een iets handzamer formaat bij de eerste air na de Belgisch-Franse grens.
Volgens de kaart wordt het nu mooi. Dat klopt, al bederft een trekhaakklever een deel van de pret. We rijden door een Gorge, waarvan ik zou willen zeggen dat het waanzinnig was, maar we zijn er door voor we het weten. Waarschijnlijk is het wel een perfect wandelgebied.
De eerste stop is daarom in Perrot (als we de korte fotoshoot van een kerkje in Laniscat niet meerekenen). Het heeft een beek met een sluis en een oude abdij. Deze is deels vervallen en geheel gesloten. Tegelijk is er meer dan genoeg ruimte om er omheen te wandelen. Typisch zo’n plek die je iedereen aanraad. Het is dan ook in dit deel van het seizoen al tamelijk toeristisch.
We vervolgen de reis richting St. Brigitte. Even voor deze plaats is er “veel” te zien. We stoppen even bij een oude ijzersmelterij waar een groot landhuis is gebouwd met allerlei bijgebouwen. De parkeerplaats is ingenomen door een enorme touringcar die succesvol een maximale hoeveelheid parkeerplek in neemt. Daarbij heeft hij het goede voorbeeld gegeven aan zijn reizigers. Ze lopen luid te kankeren dat wij richting smederij willen terwijl zij de andere kant uit willen. Het concept dat je ook met minder dan vijf Fransen naast elkaar kan lopen is ze vreemd. We zijn er snel weer weg. Met onderweg nog een feunteun komen we uiteindelijk in Pontivy. Het is een grotere plaats, waar zelfs een bagad rondwandelt. Hoogtepunt is het kasteel van Rohan. Ook dit is gesloten. Maar voor een kasteel van zo’n massieve omvang moet ons van het hart dat we wel eens iets beter afgesloten hebben gezien. We lopen er zo naar binnen en bewonderen de wapenkamer en de binnenplaats. Opmerkelijk is hier verder nog het plaatselijke zwembad, dat in de plaatselijke rivier is afgezet. Het is er erg stil…
Na Pontivy is het tijd voor de camping. Via Vannes rijden we naar Penboch. De reservering is in orde, we hebben weer een onderkomen voor een week: onze volgende stacaravan.
Het wordt tijd daar eens aandacht aan te besteden. Van huis uit zijn we kampeerders. Door allerlei rugproblemen zijn we overgestapt naar “de klapkar” of de “friettent van tentdoek” zoals “echte” kampeerders ze noemen. Onze klapkar had niet het eeuwige leven en werd (met stevige bijbetaling) ingeruild voor een sleurhut. Da’s mooi als je veel weg bent, maar als je hem een paar jaar minder gebruikt is het een prijzig ding. Toen een sommetje leerde dat het bezit duurder was dan de feitelijke vakantie ruimde ook de sleurhut het veld. Een hotel of B&B lijkt dan een logische vervolgstap. Wie de verslagen van de afgelopen jaren leest heeft zelfs ontdekt dat we op dit punt het absolute eind van de lijn hebben gehaald: de all inclusive!
Toch blijft er iets hangen van het kamperen. En je maakt je in het gemiddelde hotel niet bijster populair als je met een druipende duikuitrusting door de lobby loopt. Een lange inleiding om te stellen dat we geen zak verstand hebben van stacaravans.
De originele stacaravan was natuurlijk een te grote caravan die niet meer zonder gevaar voor eigen en andermans leven te transporteren was. De wegrottende wielen gaven die dingen echter een “semipermanent” karakter en dus mochten ze op veel plekken het hele jaar op campings blijven staan. Op dit punt zijn ze bij ons uit beeld verdwenen tot we in 1995 een paar maanden zonder huis zaten en een onderkomen vonden in een vochtige, slecht geïsoleerde bak in Kapel Avezaath. Het verblijf daar was voldoende om nooit meer in een permanente sleurhut te willen. Dat hebben we volgehouden tot de eigen sleurhut verdween. Op hetzelfde moment begonnen Jean-Michel en Beatrice van camping West met enkele “huisjes”. Inmiddels was iedereen het er over eens dat ook zonder wielen iets semipermanents neergezet kon worden en dat de kwaliteit omhoog kon. Tegenwoordig is er een aantal merken dat goed geïsoleerde vakantiehutten voor oud-kampeerders-met-afkick-verschijnselen maakt.
Louisiane is hierbij groot. Ze kenmerken zich door kleurecht wit plastic met houtmotief en koddige blauwe nepluiken. Tevens zijn ze uitstekend geïsoleerd, stabiel en hebben een goede verwarming.
Op camping West hadden we een Louisiane 4 persoonshut type “Eva”. Goed voor vier personen en nog eens 3 op de koffie. Hier in Penboch hebben we een update: een Tamaris. Zeven persoons, en naar wij vermoeden groot genoeg voor nog 14 personen op de koffie. Met 3 slaapkamers met afzonderlijke verwarming, bank, tafel met stoelen, badkamer met afzonderlijke douche, koelkast met diepvries, een magnetron en een volwassen vierpits gastoestel met afzuigkap. Het leven op de camping is lijden J. Op dit moment in het verhaal haken de Slee en Erdman Smid bezitters af…
Op de camping is het druk. Een dag later blijkt dat volledig toe te schrijven te zijn aan de 8e mei, een Franse feestdag. Op dinsdag kan je weer een kanon op de camping afschieten. Hoogstens kans dat je een van de konijnen raakt.
We hebben zin in het bekijken van Morbihan, de zuid-oostelijke Bretonse provincie die we, in tegenstelling tot Finistère en Armorica helemaal niet kennen. Maar dat doen we morgen. Nu slaan we slechts grootscheeps in bij de megawinkel van Carrefour. Verder informeer ik bij de plaatselijke duikshop naar mogelijkheden. Dit lijkt op niets uit te lopen omdat: 1. Ik geen Frans spreek, 2. Ik met een fles wil duiken en 3. Ik niet wil onderwater jagen. Voor de winkel vind ik een Fransman die 1. Engels spreekt, 2. Een duikfles draagt en 3. Geen harpoen bij zich heeft. Hij geeft me een adres en route beschrijving naar een duikschool “op het schiereiland”. Het blijkt een eindje weg.
Daarom beperken we ons voorlopig tot het verkennen van de camping en kijken we wat uit over de Golf van Morbihan.
Bij dat laatste wanen we ons al bijna in Zuid Frankrijk. Overal hoor je krekels; ik zie zelfs een hagedis wegschieten.

10 mei

Actie één is het vinden van een duikschool. We hebben een adres in Port du Crouesty. Deze plaats ligt aan het eind van een schiereiland dat de grens vormt van de Golf van Morbihan. Die ligt dan weer aan de Golf van Biskaje aan de zuidkant van Bretagne. De zee aan de zuidkant van Bretagne is 2 graden warmer dan de noordkant, en deze Golf is nog weer twee graden warmer. Nadeel is dat het zicht vaak (veel) minder is en de stroming waanzinnig (men zegt dat het de 2e stroomsterkte in Europa is). In de Golf van Morbihan liggen allerlei eilandjes. Sommigen zijn bewoond, sommigen te klein om er een kip op te houden. De duikschool Aquaplus is snel gevonden, ik kan dezelfde middag nog mee.
Dat biedt de mogelijkheid tot die tijd nog eens wat rond te kijken. Het landschap is wat liefelijker dan in het noorden. Nelleke vindt het minder Bretons dan daar. Zelf zie ik weinig onderscheid. Als je ziet met hoeveel fanatisme op sommige plekken Frans wordt weggehakt als er niet ook een Bretonse tekst staat dan is ook dit gebied een duidelijk onderdeel van Bretagne.
Met Ierland, Schotland en Engeland heeft Bretagne het Keltische rijk gevormd. Los van muzikale en taalkundige banden zie je dat ook sterk in de oudheidkundige resten. Die vind je door heel Bretagne, maar vooral in Morbihan. Binnen de korte keren hebben we een Dolmen (Hunebed Type A) en een Allée Couverte (Hunebed type B) gevonden. De Allée Couverte bevindt zich zelfs binnen een Cairn (uitbouw type B’). We denken zelfs een Standing Stone te zien, maar die blijkt 6000-7000 jaar jonger: het is een Mariafiguur die is uitgehakt in een groot brok graniet.
Waar je ook loopt, je ziet overal de zee en de toeristenvloot die hier ronddobbert. Sommige collega’s kunnen helemaal in vervoering raken van een boot. Originele namen doen me meer. Het schip de “Antidote” verklaar ik vandaag tot winnaar.

De laatste oudheid voor de duik is de Butte de Caesar. Het is een Tumulus (Hunebed type C, in heuvel aanleg.) Met name de heuvel is nogal stevig en kijkt aan beide kanten uit over zee. Caesar heeft ooit nog eens op die heuvel zijn schepen gecommandeerd in een zeeslag. Nu houdt nog slechts een eenzame groene hagedis de wacht
Tijdens de duik gaat Nelleke met de camera achter de plaatselijke flora aan. Na de duik is het mooi geweest. We gaan terug naar de camping. ’s Avonds bekijken we de camping nog eens grondig. Hij bestaat uit twee delen, die beiden een achteruitgang hebben. Tussen die twee kan je langs de Golf heen en weer lopen over paden en muurtjes. Overal zie je krabben rondscharrelen en er vliegen de nodige vleermuizen rond. Kortom: mooi gebied.

11 mei

Vandaag ben ik een illusie armer en een ervaring rijker geworden. We zetten namelijk koers richting Carnac. Nelleke wilde hier 20 jaar geleden “de stenen” al zien, maar we hadden toen in Finistère afgesproken en Bretagne is tamelijk groot. Nu zal het dan toch gebeuren!
De eerste stop is in Arradon. Niet alleen is de kerk erg aardig, maar een organist zit ook prachtig Bach te spelen. Via Le Bono en Baden rijden we in de richting van Carnac. Nu de kinderen de deur uit zijn hebben we meer ruimte. En dus zeul je meer mee. In onze verzameling zit nog een ANWB reisgids waarvan de leeftijd alleen nog te schatten is met behulp van Carbon-dating. Deze geeft wel aan waar het “belangrijk” is. Carnac blijkt niet de moeite waard! Denk je een leven lang: voor grote stenen moet je naar Stonehenge, Drenthe en Carnac. Maar dan wordt je gefopt. Carnac heeft een enorm Hunebed Type C (met heuvel) met daarop een kerkje, en een museum waarin ze tonen wat ze niet hebben. Verder is het drie keer niets. Nu is er wel een verklaring. Van belang zijn de Alignements des Megalithes de Kermario en Kerlescan. Probleem is dat je al een heel eind afgestudeerd Fransman moet zijn om dat uit je mond te krijgen. Dus heeft men het al gauw over het dorpje dat slechts 2 km verder op ligt en dat wel uit te spreken is: Carnac. Door Alignements des Megalithes te vervangen door “de stenen” wordt het toeristisch hanteerbaar: The Carnac Stones, de Stenen van Carnac.. Maar zonder de gids en wat geluk hadden we ons toch mooi klem gezocht.


Wat serieuzer: het hele gebied ligt vol prehistorisch materiaal, maar de weg waarlangs de alignements liggen, even voor Carnac, is de rijkste en absoluut de moeite waard. De alignements of rijen stenen zijn 1 tot 5 meter hoog en staan in keurige rijen. Daar worden weer allerlei magische data aan opgehangen, net zoals in Stonehenge. Het lijkt hier wat minder waarschijnlijk, omdat het om rijen gaat. Data zijn daar nog wel mee uit te leggen, maar door het ontbreken van ringstructuren wordt het lastig om er een zonne- en sterrenwijzer in te zien. Aan de randen van de velden met stenen liggen nog wat hunebedden Type A. Wie verder de zijpaden in gaat komt ook de andere typen tegen. Bijzonder fraai is een Type C waar je in theorie toegang voor zou moeten betalen. Het is, in tegenstelling tot wat velen denken, een voorbeeld van een grafheuvel met elektriciteit. Da’s handig, want het is aardedonker is zo’n grafheuvel indien deze nog intact is. Bovendien is hier een Cromlec’h. Een Cromlec’h is een halve cirkel van megalieten die hier de Tumulus omgeeft.
Tussen twee velden in staat de ruïne van een molen. De bovenkant is goed aangesmeerd en het binnenwerk vervangen door een roestvrij stalen wenteltrap. Vanaf deze molen heb je prachtig uitzicht over enkele Alignements met zo’n duizend stenen per veld.
De velden zijn stevig afgerasterd. Niet dat men heel bang is dat de stenen weglopen, maar allereerst houdt het de schapen binnen en dat scheelt weer maaien. Daarnaast wil men de vegetatie graag heel houden. Wie om de stenen heen wil lopen moet dan ook tussen oktober en maart komen. De afzetting werkt, want we zien de mooiste bloemen, waaronder wilde orchideeën.
Regelmatig vertellen mensen dat je dit soort omgeving moet zien met grauwe luchten voor de juiste, wat mystieke atmosfeer. Hoewel ik die mening echt niet, heus niet en absoluut niet deel krijgen we deze sfeer wel… en meer. We slagen er nog net in om een crêpe te eten in de oorverdovende wierrookluchten van Chez Celine (we zaten buiten) als het begint te sputteren. Aan de andere kant is dit maar goed ook. De cappuccino van Nelleke blijkt een kop Nescafé met een beetje spuitslagroom en wat hagelslag. Ondanks mijn waarschuwingen voor Franse koffie uit eerdere verhalen begint ze spontaan met een samenvatting van middeleeuwse martelmethoden. Ik weet haar mee te nemen voor de uitspanning verandert in een Tumulus. Nb! Ze heeft wel gelijk!

Tegen de tijd dat we op de Tumulus van Carnac staan zeikt het van de regen. Soepel worden we teruggespoeld naar onze auto.
We besluiten de dag te eindigen met een rondrit op het schiereiland van Quiberon. Dit schiereiland omgeeft een groot deel van de Golf van Morbihan. Vooral de Atlantische kant van het schiereiland heeft de naam “spectaculair” te zijn. Uiteindelijk hebben we meer lol met rondkijken in de haven dan het bekijken van de kust, maar het is zeker de moeite van het bekijken waard.
Op de terugweg komen we even buiten Carnac de Dolmens de Mare-Kerioned tegen. Volgens het bord zijn het drie hunebedden die bij elkaar liggen. Grofweg klopt dat wel, hoewel er een met een trap onder de grond verdwijnt. Daar is het aardedonker, zelfs met mijn kleine pilot lampje. Bovendien gaat dit hunebed de hoek om. We sluiten niet uit dat er hier dus sprake is van een huneflat
Even verder, in Le Bono komen we niet Le Edge tegen, maar een Tumulus met Tombelles. Het “type C” staat open. Met behulp van mijn pilot lampje banen we ons een weg door de heuvel. Het licht is ook net voldoende om de flitser af te laten gaan, zodat we achteraf precies weten wat we hebben gezien. De Tombelles blijken steenhopen bij kleinere heuvels. Ze vallen buiten mijn taxonomie. Het zicht op de Golf van Morbihan is wel weer prachtig. Dat gaan we ook nog met een boot doen.

Al rijdend hebben we het uiteraard over andere oudheden die we hebben gezien, zoals de graven bij Brú Na Bóinne  in Ierland. Daar schijnen 2 geleerden geprobeerd te hebben elkaar met proefschriften dood te slaan omdat de theorie over de juiste grassoort op het graf niet klopte. Onze rondleidster toen stelde dat het mooie van de prehistorie is dat je er nooit meer echt achter komt, dus dat je je fantasie zijn gang mag laten gaan.
Welnu, wij denken dat de alignements in de oertijd gewoon een volwassen-worden rite was. Een echte vent kan natuurlijk met zijn ballen om gaan. Dat geldt in Frankrijk nog heel sterk: een echte kerel is goed in het jeux de boules. In de steentijd hadden ze daar natuurlijk niets aan. Je kan wel met wat stenen naar een klein steentje gooien, maar zonder het rollen wordt het natuurlijk nooit echt leuk. En dus was je een vent als je met een grote steen kon opheffen en op een mooie plek zetten.
Na een paar duizend jaar kwam men er achter dat dit eigenlijk een wat lullig tijdverdrijf was. Dus werd het een teamsport tussen buurtgemeenschappen. Het aantal beschikbare deelnemers bepaalde hoe groot de te verplaatsen steen moest zijn. In de loop der tijd werd “bigger is better” wel een issue, dus aan het eind van de velden zijn de stenen aanmerkelijk groter. Tot slot zijn wij van mening dat het verliezende team die avond het bier bij Chez Celinix betaalde.

12 mei.

Het plan voor vandaag is niet helemaal duidelijk. Het vage plan is “oude meuk uit verschillende tijden”. De eerste stop is St. Anne d’Auray (na een fotoshoot in Meriadec, waar we het Vrijheidsbeeld vast leggen). Na Lourdes is dit het tweede pelgrimsoord in Frankrijk. We hadden er dan ook nog nooit van gehoord. Nu hebben we in 1975 al ontdekt dat een uitstekende methode om het toeristisch aanbod van een omgeving te ontdekken niet de VVV, maar de plaatselijke souvenirshop is. Hier is het aanbod in eerste instantie kaarsjes voor een uur tot negen dagen brandgenot en beeldjes van Anna en Maria (voor de niet-Christenen onder ons: de oma van Jezus en haar dochter). Daarnaast is er de niet te vermijden DVD van Vader Denis Sonet. Voor slechts €18 kom je in het bezit van Bonne Nouvelle pour la Sexualité. De hoes toont een brandend kruis. Met uiterste zelfbeheersing en alleen omdat we al drie kinderen hebben en voorlichting op middelbare scholen hebben gegeven, laten we de DVD aan ons voorbij gaan. Wat het dorp te bieden heeft is de Basiliek die is neergezet in de plaats waar Yves Nicolazic, eenvoudig boer van beroep, in de 17e eeuw Anne op bezoek kreeg. En dat trekt veel gelovigen. JPII is zelfs langs geweest zoals uit veel foto’s in de kerk blijkt. De gelovigen zamelen nog steeds geld in om Yves heilig te laten verklaren. Nu zijn Bretonnen een woest volk, dus niemand legt ze uit dat hier andere criteria gelden dan voor het verkrijgen van een etappestart van de Tour de France….
Bescheiden maak ik wat foto’s van het geheel. Omzichtig probeer ik niemand te storen. Dat lukt niet helemaal. Een Fransman kijkt me woest aan als hij de klik van mijn spiegelreflex hoor als ik het beeld van meneer Nicolazic vastleg. Hoewel weinig religieus ben ik er in dit geval van overtuigd dat Yves vanuit het het hiernamaals ingrijpt. Snoeihard in een riedel waaraan iedereen zich stoort gaat de mobiel van de Fransman af. Ik vind het een zalig gebaar…
Verder heeft de plaats niets te bieden en echt mooi is de kerk ook niet, dus we rijden vrij snel verder. (Nb. Het museum van Bretonse Klederdracht is dicht.) We komen wel langs een aantal plekken met gedenkmonumenten. De geschiedenis van Bretagne is vanaf Asterix en Obelix een van de bloedigste in de Europese historie. Zo hebben ze in de 11e eeuw de Normandiërs er uit gemept, hebben ze de Franse revolutie ontkend en hebben ze voor en na die tijd iedere smoes aangegrepen om de “andere helft” van hun eigen volk naar het leven te staan. In St.Anne is in 1795 zo’n 1000 man in het plaatselijke moeras geëxecuteerd omdat die zich bleven verzetten tegen de Franse revolutie. De clerus en de adel waren aanvankelijk tamelijk succesvol van mening dat aan dit soort Parijse stadse fratsen niet werd deelgenomen. Tegenwoordig wordt tamelijk veel aandacht aan dit soort genocide praktijken besteed. Gelukkig ziet het er naar uit dat, met uitzondering van het schenken van koffie, de Conventie van Genève nu strikt wordt nageleefd in Bretagne.
Wie St.Anne d’Auray uit rijdt loopt een grote kans om in Auray te eindigen. Zo ook wij. Auray is een stad van enige omvang met een oud centrum dat wordt gedomineerd door een enorme vesting met wat oude kerken. Een oude brug leidt over de rivier de Sene. Aan de andere kant ligt het “lage” deel van de stad. Hier zijn nog meer vakwerkhuizen dan in het hogere deel van de stad. Er gebeuren geen opmerkelijke dingen tijdens het bezoek, maar Auray is de moeite waard.


De laatste stop is Locmariaquer. Hier ligt een van de mooiste neolithische opgraafplaatsen van dit gebied. Gelet op de hoeveelheid “oude meuk” die we al hebben gezien, zijn we echter niet bereid geld uit te geven aan dit bezoek, dus we fotograferen het geheel van over het hek.
Verderop is een gratis hunebed type A, met voor de deur een opmerkelijke Menhir, die uitkijkt over zee. Sinds gisteren ben ik een gewaarschuwd man. Mijn duiklamp moet even op gang komen, maar daarna is iedere bewerking van iedere steen in de lange donker gang ook goed te bewonderen.
Na wat inkopen bij Carrefour en een rondje baai zwaaien zit de dag er weer op.

13 mei

Het is zo stil op de camping dat we, los van de directe buren, alleen aanspraak hebben aan de twee konijnen die rond het huisje hangen. Nelleke heeft ze onmiddellijk Anna en Maria gedoopt, omdat het duidelijk moeder en kind zijn. Later ontdek ik nog een derde die uiteraard Jacobapolder wordt genoemd.
En vandaag zijn ze helemaal alleen, want wij gaan naar Josselin, een ander Rohan optrekje. Hoewel het een uurtje rijden is, houden we tijd over. Nu heeft Nelleke een kaart (zie 9 mei), en die geeft een redelijke imitatie van de bestaande werkelijkheid. Deze omschrijving slaat vooral op de aanduiding van “opmerkelijke zaken”. Dit kunnen bijvoorbeeld “Chateaux d’Eau” zijn, en dat zijn geen luchtkastelen, maar watertorens. Andere mogelijkheden zijn Chateaux van grotere onroerende waarde, of oudheidkundigen zaken. Met de tot nu toe opgedane ervaring willen we wel eens op zoek naar de minder voor de hand liggende sites.


Aanvankelijk gaat dat niet geweldig, los van een eenzame steen met een groot bord “Menhir” die niet te missen valt. Bij Le Petit Moustoir is het echter bingo. Een bord en wat pijlen brengen ons bij een boerderij aan het eind der dingen. Optimistisch staat er een bord Roh Koh Koët aan de muur geschroefd. Het eind der dingen wordt omgeven door een bos. Het is even zoeken en sjouwen, maar dan vinden we ook een feunteun en een prachtig Type A met Cromlec’h. Dit geeft de burger moed. We onderzoeken met de auto andere wegen naar “niets” en vinden inderdaad talrijke menhirs en hunebedden. Voor ons als leek zijn er drie soorten te onderscheiden:

  • echte, niet te bediscussiëren oudheden”,
  • stapels stenen die we afdoen als “prehistorische voorraden waar onze voorouders niet aan zijn toegekomen
  • en nieuwe stapels “we gooien die pleurisstenen op een hoop, want zo valt er niet te ploegen”.

Toegegeven, het onderscheid tussen de laatste twee is niet heel scherp, maar we hebben er lol mee en komen in ieder geval tot de conclusie dat hier in een ver verleden zoveel is gebouwd dat maar een fractie is geanalyseerd en voor het publiek toegankelijk gemaakt.
Na een lunch langs een veld is het tijd voor Josselin. Dit kasteel is in 1407 gebouwd en bestaat uit drie enorme torens die door een zware muur zijn verbonden en een losstaande vierde toren die de losstaande toren wordt genoemd. Enige fantasie valt de heren van Rohan niet te ontzeggen. De binnenkant van het kasteel bestaat uit een adembenemend gebeeldhouwwerkte gevel met de familie spreuk A Plus (het mag een onsje meer zijn) in het midden. En het is geopend. Weliswaar is de volgende rondleiding pas een 45 minuten later, maar die tijd kan worden doorgebracht in het poppenmuseum voor slechts enkele euro’s extra.
Tegen de tijd dat de rondleiding begint verzamelen we ons op de plek waar het plebs thuis hoort. In de zeikende regen op het middenplein. Dit plein is vanuit de prachtige tuin niet goed te zien, dus als je de rondleiding niet wilt missen kan je je alleen daar ophouden. Iets later komt een vrouwsmens met een plu naar buiten. Ze onderscheid zich van de rest van de groep doordat ze gemiddeld veertig jaar jonger is en men haar een badge met Guide heeft opgespeld. Dat spreek je uit als Giede. De anderhalf uur die volgen braakt ze een continue stroom Frans over ons uit. We kunnen dat heel goed volgen omdat ze ons een folder met de Nederlandse uitleg hebben verschaft. Na 4 minuten heb ik de folder uit en 15 seconden later begint de zone-ing out. De verbale diaree stopt slechts af en toe om een deur te openen of te sluiten waarna de groep zich als hersenloos vee van de ene naar de andere ruimte begeeft.
Ooit heb ik gedacht dat ik, als ik op leeftijd kwam, de rust en wijsheid zou hebben om geboeid te genieten van dit soort historische en culturele explicaties. Inmiddels weet ik dat dit, totale seniliteit daargelaten, niet zal gebeuren . En dat we gelijk hebben. Daarbij moet ik mijn bewondering voor Nelleke even vermelden. Ze heeft een wandelstok, maar slaat het orerende wicht niet! Nog even over ons gelijk: geen enkele dure rondleiding buiten het Engelse taalgebied is nog mono-linguistisch. En verder heeft een keur van elektronische hulpmiddelen het mogelijk gemaakt om informatie op maat aan de betalende bezoeker te verschaffen.
Toch hebben we wel wat geleerd. Als de parttime lijfeigene van het geslacht Rohan aan het eind van de martelgang om een aalmoes vraagt, reageren we het niet op haar af door te vragen naar haar middelbare school resultaten, zo die er al waren. We doen alsof we nog geen Frans begrijpen en lopen dom kijkend naar buiten. Het echte afreageren doen we wel met dit verslag & met advies!
Kijk, je kan de familie Rohan niet verwijten dat niet is door gedrongen dat de middeleeuwen voorbij zijn. Als er maar genoeg idioten zoals wij toegang blijven betalen voor een bezoek aan hun optrekje is er voor hen geen reden tot aanpassing. Maar er is een alternatief!
Investeer allereerst in een reisgids voor Bretagne (of een bibliotheekkaart), dan heb je binnen enkele minuten ook het hele verhaal. Vervolgens loop je naar de toren van de Basiliek van de Notre Dame de Roncier. Die is gratis! Boven kan je prachtig alles bekijken en fotograferen. Ok, je mist de binnenkant, maar dat weegt niet op tegen het gereutel, ook niet als je goed Frans spreekt! En als je boven eenmaal bent uitgehijgd kan je zelf constateren dat de Rohannetjes echt op spuugafstand zijn.
Het centrum, met zijn vakwerkhuizen, is de moeite waard. Als je iets van de geschiedenis wilt weten dan zijn er talrijke informatieborden. En laten we wel wezen: Frans lezen is niet zo ingewikkeld.

14 mei.


De wekker gaat. Er zijn twee redenen om het dekbed ferm over het hoofd te trekken. De eerste is de gedachte dat we weer een excursie hebben geboekt terwijl de vazal van Rohan nog door onze geest dwaalt. Verder regent het chats et chiens. Merde!
Anderzijds hebben we vooruit betaald, dus even later rijden we richting Vannes. In het havengebouw laat een Franse vrouw een stagiaire zien hoe ze gegevens van een formulier over kan schrijven op een ander formulier. En ze wijst naar een boot. We gaan er van uit dat dit de boot is die we moeten hebben. We hebben namelijk een cruise over de Golfe de Morbihan geboekt.


We spoelen aan boord, maar daarna knapt het weer zienderogen op. Andermaal zijn we, met 20 toeristen op een boot voor 200 deelnemers, een captive audience. Deze keer is dat echter niet erg. Er is heel veel te zien, en het is goed als je af en toe ergens op wordt gewezen. Bovendien wordt er vanuit een hut gesproken. Je kunt er dus doorheen praten of zingen en je kunt ook gewoon een koptelefoon opzetten of een muziekje draaien.
En dus heeft iedereen het naar zijn/haar zin. Na anderhalf uur varen worden we op het Ile aux Moines van boord gezet. Hier hebben we een uur of vier om rond te hangen. Het toeristenseizoen is nog niet goed gestart, maar we weten fietsen te huren zodat we het hele eiland kunnen bekijken. Het eiland is al eeuwen bewoond. Er is een Type C met inscripties, een Cromlec’h en er zijn wat oude kerkjes met de typische Bretonse bootjes aan het plafond. En er natuur, veel natuur. De vegetatie is subtropisch, waardoor we onder meer mimosa en vijgen zien. Verder noteren we roofvogels, fazanten, konijnen en een salamander. De fietsen zijn niet onmiddellijk topkwaliteit, dus enig werk is het wel, maar we zien alles wat we willen zien. In tegenstelling tot bij de uitbaterij van de Rohannetjes lijkt iedereen dit een goed bestede dag te vinden.
We kunnen er in ieder geval niet genoeg van krijgen. Na het eten wandelen we naar de baai achter de camping en gedenken Otis, die dood is. Sitting on the dock of the bay we’re watching the tide role in!

15 mei.

Het is alweer de laatste dag van ons verblijf in Penboch, dat door de Jezuïeten op de kaart is gezet met een kerk die nu een religieus bezinningscentrum is. Ik maak nog een leuke duik in de Golfe. Daarbuiten is het door de wind niet te doen.
Joël legt me uit dat het weer hier meestal goed is (en we geven toe, al heb je vaak vier seizoenen op een dag, gemiddeld is het hier prima).
Echt slecht weer, en dat weet iedere Breton volgens hem, vind je in Brest. Als je echt westelijker komt kan je zien dat het weer verslechtert. En als je het niet ziet komt dat omdat het te hard regent!
Ondertussen vraagt hij wie er koffie wil. Nu, dat willen wij wel. Met een breed gebaar schenkt hij de koffie van gisteren in een aantal mokken. Daarna verdwijnt het geheel in de magnetron. Pas op, waarschuwt hij, het is heet! Het is een aardige vent, ik dreig niet met het strafhof in Den Haag.
Op de weg terug maak ik nog een wandeling rond het indrukwekkende kasteel van Suscinio, dat aanmerkelijk groter is dan de optrekjes van de familie R. Een gewaarschuwd man telt echter voor twee: ik ga er niet naar binnen. We doen nog wat boodschappen bij de Super U en besluiten met “Penboch, check!”.
Op de camping knoop ik oma op de auto en kan het grote leegruimen van de Louisiane type Tamaris beginnen.

16 mei

We zijn vroeg op weg. En de af te leggen afstand is klein. Een beetje tegen de gewoonte in planken we zonder stops naar Dinan. Nu is de totale afstand rond de 200 km dus het is goed te doen. Bovendien willen we eens iets anders dan allemaal afzonderlijke dorpjes met ieder anderhalve bezienswaardigheid.
Volgens de gids biedt Dinan alles wat een oud stadje te bieden heeft. Voorwaarde blijkt te zijn dat je van oude kastelen en vakwerkhuizen houdt, maar, zoals Nelleke opmerkt: wij houden er wel van. Het gebied met vakwerkhuizen is behoorlijk uitgebreid, met huizen in allerlei typen en kleuren. Het kasteel dat de oude stad omgaf heeft de omvang van alle kastelen die we deze reis bij elkaar hebben gezien. En geen kaartjes of verplichte rondleidingen, alleen een vriendelijk kasteel dat dicht is.


Mijn Frans vraagt nog steeds om verbetering. Of laat ik het heel anders stellen. Er hangen in het plaatsje borden voor een voorstelling van een plaatselijk bekend komiek. Zijn lijfspreuk is: “Je pense, mais je ne me comprend pas”. Dat geldt ook voor mij, en zeker in het Frans.
We lunchen in een restaurant. Het Franstalig menu vermeldt een pannenkoek met ui, hamburger en Roquefort saus. Althans, dat denk ik, maar ik kan mezelf niet helemaal volgen. Dus toch maar bestellen. Mijn Frans blijkt goed genoeg, dus tot en met de kaassaus krijg ik mijn bestelling, waar voor de zekerheid een krop sla op is gelegd. Ook mijn Lait Ribot is precies de kwaliteit die ik verwachtte. Alleen dat ze het serveren in een soepkom met een lepel is effe wennen. Probeer in Nederland maar eens karnemelk in een soepkom te bestellen.
Een belangrijke reden om hier naar binnen te gaan is een bord bij de voordeur: Espresso, served right!
Voor alle zekerheid informeer ik de serveerster of ze deze niet Franse tekst snapt. Mais bien sure, echte espresso. Welaan, dan wil ik graag een dubbele ter afsluiting van de overigens uitstekende maaltijd, en Nelleke een cappuccino. Even later zit ik met een grandcafé voor me, die maar iets sterker is dan hun reguliere halflauwe bruine afwaswater (tenzij ze een magnetron en een duikinstructeur hebben) en Nelleke met een glas zwarte koffie met daarop gezoete slagroom uit een spuitbus EN EEN RIETJE! Ze kondigt aan bij haar broer uit te gaan huilen, omdat hij als enige misdaden tegen de koffie op waarde weet te schatten. Maar we hebben nog een week vakantie voor de boeg, dus ik weet haar uiteindelijk mee te tronen naar de auto en de volgende camping, La Ville Huchet bij St.Malo.
De Louisiane’s waar we inmiddels de nodige sympathie voor hebben opgebouwd zijn hier afwezig. Maar de O’Hara die ons wordt toegewezen is ook niet slecht, al zijn er wat minder stopcontacten en ontbreekt de afzuigkap. Ik maak nog een duikafspraak in St.Malo en de dag zit er weer op.

17 mei

Duiktijd. Het centrum in St.Malo is heel groot. De organisatie onoverzichtelijk, maar niet op een onvriendelijke manier. Even dreigt er een opstootje. Een ‘official’ komt vragen wat we komen doen. Nu lijkt het antwoord lijkt, met dertig mensen in een duikpak, een vrachtwagentje vol duiktroep en twee boten die zijn ingericht op de nobele onderwatersport een soort van voor de hand te liggen.
De “official” neemt hier geen genoegen mee. “NU” is de start van het nationale kampioenschap zeeroeien gepland. Op onze beurt kunnen wij niet ontkennen dat die lui die met roeiboten lopen te zeulen een vooropgezet plan hebben.
De kapitein van onze boot geeft geen krimp. “En wanneer had ik dat moeten horen?”, vraagt hij geamuseerd. “Gisteren” wordt hem toegebeten. De grijns van de kapitein wordt nog groter: “Ah, gisteren!” verder doet hij er het zwijgen toe. Activiteiten van bootjes die kleiner zijn dan die van hem weet hij volstrekt te negeren, nationaal kampioenschap of niet.

De oplossing komt uit een onverwachte hoek. De Franse televisie grijpt in. Voor de sfeertekening zou het leuk zijn een interviewtje af te nemen met een duiker. De duikschool reageert zoals het hoort. Tijdens de enige gecoördineerde actie van de dag doet iedereen twee stappen terug, op een onverschillige na, die even opzij keek. Hij neemt sportief zijn verlies en neuzelt wat voor de camera terwijl de rest de inhoud van het vrachtautootje op het schip stampt. We varen uit, later die dag is er vast iemand gehuldigd.
De wrakduik is een leuke ervaring. Het waait, stroomt en golft bekwaam. Sommigen voeren dan ook heftig de vissen. Maar we zien het wrak goed, de foto’s worden gemaakt en als altijd wordt ik na afloop van harte uitgenodigd nog eens langs te komen.
’s Avonds doen we alleen een ritje naar de plek waar we gisteren verkeerd reden: Quelmer. Hier is een groot botenkerkhof, wat een prachtige zinloze serie oplevert.

18 mei

We beginnen met een bezoek aan Saint.Malo. De berichten over de geschiedenis van het eiland zijn niet eenduidig. Het is in ieder geval waar dat het eiland zeer strategisch ten opzichte van Engeland en Frankrijk lag. Mijn eenvoudige, volstrekt niet historisch verantwoorde mening is dat de inwoners handig van hun positie gebruik maakten, maar soms een iets te grote waffel hadden. Als kapers hadden ze het vooral voorzien op de Engelsen, maar op enig moment verklaarden ze zich ook onafhankelijk van Bretagne en Frankrijk. In 1661 werd de stad dan ook volledig verwoest. Onduidelijk is, of dit een weggegooide sigaret, een Engelse of een Nederlandse actie was. Nederlandse gidsen verwijzen vooral naar Engels initiatief, maar omgekeerd beweert een Engelse tekst dat het de Nederlanders waren. En laten we eerlijk zijn, Duinkerken hadden we ook al “bezocht”.


De stad werd opnieuw opgebouwd, nu van graniet. De kernactiviteit verlegde zich naar de handel, en andermaal deed St.Malo het uitstekend.
In WOII hadden de Duitsers lang het idee dat de invasie in Bretagne plaats zou vinden. Met name de vesting van Saint-Malo was ingericht op de Duitse verdediging. Na de invasie in Normandië moest de noordkant van Bretagne worden bevrijd. Uiteindelijk schoot het geallieerde leger 70% van de oude stad aan gort en paste voor het eerst in de militaire geschiedenis napalm toe.
Na de oorlog is de stad opnieuw opgetrokken. Toch is het goed dit stukje geschiedenis mee te nemen als je de stad bekijkt. Ineens wordt duidelijk waarom sommige stukken er veel ouder uit zien dan andere. Vooral in de kathedraal is pijnlijk duidelijk dat een groot deel geen oorspronkelijk graniet is, maar recht toe, recht aan beton. Eventueel is dit versierd met een laagje graniet. Dit alles neemt niet weg dat het geheel nog steeds/weer zeer indrukwekkend is. Alleen al het wandelen over de verdedigingswallen en een tochtje over het strand naar het fort voor de stad kost al een halve dag. En dan heb je nog geen mosselen met kerriesaus gegeten.
We houden dan ook weinig tijd over. Deze besteden we in Rothéneuf, waar de deels invalide pater Fouré eind 19e eeuw Les Rochers Sculptés maakte: in het keiharde graniet hakte hij enkele honderden naïeve figuren uit. Samen vormen ze het verhaal van de zeeroversfamilie Rothéneuf. Wij geloven dat, omdat het in de gids staat. Maar aan de rotsen zien we het niet af. Dat geeft ook niet, het is verschrikkelijk de moeite (en entreekosten) waard.

19 mei

Vandaag is het doel Erquy en Cap Frehel. Erquy is al meer dan 20 jaar de vakantiebestemming van Hanny en Walter, onze oude buren. Hanny zweert bij deze plaats omdat je er heerlijk op het strand kan liggen en Walter er graag vist. En laten we nu eerlijk zijn: is er een mooier doel om 46 km te rijden dan een stukje strand waar je op kan liggen?
De reden dat ook Cap Fréhel op de lijst staat is minstens zo eenvoudig: je komt er min of meer langs. Ook in dit deel van Frankrijk kom je dan op een totale afstand die je in anderhalf uur rijdt. We besluiten daarom de Bro Dreger methode (BDM) uit te voeren (Zie eerder). Als eerste rijden we over de Barrage van de Rance. Althans, bijna. Bijna aan de andere kant van deze stuwdam bij Dinard is een bord en een parkeerplaats. En zo komen we via BDM voor het eerst in een elektriciteitcentrale waar met behulp van getijdenwerking energie wordt opgewekt. Gratis, voor niets en met een heldere uitleg.
Nauwelijks zit ik weer in de vijfde versnelling of langs de weg staat het bord “allée couverte”. Nu is een hunebed nooit weg (wel eens geprobeerd zo’n steen mee te nemen?), dus auto aan de kant en op naar de stenen. Dat valt wat tegen, want de lokale agrariër heeft goed nagedacht over de maximale afstand die hij je kan laten afleggen van de weg naar een steenhoop. We hebben echter alle tijd en nemen de enorme krul in het landschap tot we de al weer bijna overgroeide steenberg te pakken hebben.


Even verder trekt het bord Pierres Sonnantes de aandacht. De volgende BDM is daar. Het is weer zo’n stop die de gids niet haalt. Dit is niet terecht. De zingende stenen liggen aan de oever van de rivier de Argenuon. Het gaat om een steensoort met Calcium en Magnesium, die keihard is. Als je er met een andere steen op ramt is het net of de rotsen hol zijn. Ze maken een galmend geluid. Op zich is, zeker bij laag water, een wandelingetje naar de stenen en het meppen op stenen al de moeite waard. De omgeving is ook de moeite. Allereerst is het een typische riviermonding in een gebied met een enorm getijdenverschil. Dus bij laag water allerlei kreken met zoutwaterplanten, vogels en droogvallende bootjes. Bovendien ligt het kasteel van Guildo recht tegenover de stenen. Groot, massief en middeleeuws.
De lokale bevolking heeft ook nog een legende over de zingende stenen. Het heeft iets te maken met reuzenkots. Wie de details wil weten moet zelf maar een BGM bij Le Guildo gaan doen.
Uiteindelijk bereiken we tegen lunchtijd Erquy. Ik maak een foto van Nelleke, die op het strand ligt en Nelleke van een man die staat te vissen. Verder fotografeert Nelleke veel planten en kijken we naar het gebruik van hele kleine bootjes om iets minder kleine bootjes te bereiken. Dit is iets wat je echt alleen tijdens je vakantie doet.
Na een babbel met een groep Engelse pensionados geven we gas richting Cap Fréhel. Het is een indrukwekkende steenpuist met enorme kliffen en eilandjes er voor die door lijken te lopen naar Engeland. Op de punt staan twee vuurtorens en er vliegen allerlei vogels die nestelen op de rotsen en de eilandjes langs de kaap. We zetten het gesprek met de pensionados voort en zien in de verte een kasteel. Via een korte BDM komen we bij Chateau La Latte. Het is nog eens eigendom geweest van Betrand de Guesclin. Daar die in 1380 overleed mag het kasteel/fort met ere stellen dat het oud is. Direct bij de ingang staat dat er betaald moet worden voor kasteel en park. Bij het café, dat adverteert dat het de laatste pub voor Engeland is, zit echter geen geldopvrager. Dus wandelen we door tot het kasteel. Daar blijkt dat je alleen maar hoeft te betalen als je in het fort wil. Tegelijk realiseren we ons dat De Guesclin echt al heel lang dood is en dat er geen enkele garantie is dat de Rohannetjes er niet inmiddels met de rechten van door zijn. Tevreden, in het bezit van al ons geld en een paar mooie foto’s keren we terug naar het voiture (mijn Frans wordt beter).
Nog onder de indruk van de Rance rijden we terug richting camping. Nelleke had op de heenweg ergens een bord gezien met “Zeemolen” (Moulin de la Mer, ook haar Frans wordt steeds heftiger). Met wat speurwerk vinden we het bord terug in Matignon. Het blijkt een wandeling door een vallei met ruïnes te zijn, waaronder een voormalige getijdenmolen. Maar een mooie wandeling, met orchideeën en zoutwaterflora, daar is niet mis mee.


20 Mei.


De wekker gaat ziekelijk vroeg. Daar is een reden voor. We hebben een retourtje Saint-Malo Jersey geboekt. Nu zijn we al eens in Jersey geweest, maar dat was New Jersey bij NY. Nu gaat het om het kleine eilandje dat deel uit maakt van het Museum van het Verenigd Koninkrijk. Het verhaal over de tocht kan kort zijn. Het klimaat is mild, en dat wordt waar gemaakt. We beginnen met een wandeling door St.Helier, het hoofddorp van het eiland. We shoppen wat (yep, ook twee breiwinkels), en ik probeer een babbel te maken met de plaatselijke duikshop. Het jongmens dat de winkel bevolkt meldt dat er een internet site is waarop informatie te verkrijgen is. Deze week hebben ze in ieder geval geen tijd voor “iets”. Volledig genezen van duiken op Jersey lopen we naar het strand. Via de Elizabeth Causeway lopen we een eind richting Fort Elizabeth (I vermoeden we, hoewel de huidige koningin van het VK ook al héél oud is). Nelleke merkt echter dat de “tide comes rushing in”. Haar Engels is aanmerkelijk fiercer dan haar Frans & natte voeten, daar houdt ze niet van. Dus we keren terug naar het links rijden, zebra’s met knipperbollen en auto’s met wielklemmen. Hoewel ik het inkomend tij als kabbelend zou willen beschrijven, kabbelt het wel met overtuiging. Een stel achter ons kijkt zomaar aan tegen zwemmen of een wachttijd van een uur of zes.


We wegen de opties voor de rest van de dag af, en besluiten te gaan wandelen. Allereerst naar Eric Youngs Orchideeën kwekerij. Mooi! Daarna naar het hunebed van het eiland. Na alle gratis steenhopen in Bretagne betalen we niet voor een neolithische site, alleen maar omdat er een museum bij staat. Dus wandelen we terug naar de boot. Samenvattend: leuk er geweest te zijn, maar ze scheuren te hard om prettig te wandelen. Voetpaden zijn overgroeid en de enige echte reden om hier eens heen te gaan is het ontsnappen aan Franse koffie. En daar hebben we veel voor over!


Terug in de echte wereld waar men rechts houdt rij ik verkeerd, waardoor we ook Alet nog te zien krijgen. De historie van Alet is maar iets jonger dan die van Saint-Malo. Het eiland was al snel vol, en de overtollige bevolking ging aan land wonen. Nu is de grote waffel van de 17e eeuwse Malonees al langs geweest, dus de bevolking van Alet rasterde zichzelf al vrij snel af en bouwde een toren om “dingen” naar de Malonezen te gooien. Enfin, veel herrie en onmin. Alet heeft nu in ieder geval ook een mooie toren en ruïnes. Als je toch in Saint-Malo bent: even verkeerd rijden.

21 mei

Hoewel we gisteren veel hebben gewandeld, en vooral veel mooie planten hebben gezien, was de toeristische indruk die we hebben opgedaan niet oorverdovend. Dus grijpen we vandaag naar “the hard stuff”. Niets “we zien wel”, of een vage locatie met BDM. Aan de hand van “de gids” worden enkele keiharde must-sees voor verwende toeristen vastgesteld. De keuze valt op Vitré & Fougères, twee plaatsjes met een kasteel. Nu is het misschien niet helemaal waar dat iedere Franse plaats vakwerkhuisjes en een kasteel heeft, maar in Bretagne komen ze een eind. Gelet op de gemotiveerde wijze waarop Bretonnen elkaar al millennia proberen elkaar en hun omgeving uit te roeien is de kasteeldichtheid niet verwonderlijk. Hoge schoonheid wordt in ieder geval toegedicht aan Vitré en Fougères.
Dus scheuren we naar Vitré. Wij wel, de Fransen staan stil in de file. Dat komt omdat het Hemelvaartsdag is. Zij rijden (niet) naar de kust, wij gaan het binnenland in. Vitré blijkt inderdaad een bovengemiddeld aantal vakwerkhuizen te hebben. In de meeste zijn leuke winkeltjes gevestigd waar je fijn kan shoppen als de eigenaar en het voltallige personeel niet net in de file staan op weg naar de kust. Voor ons maakt het weinig uit. Ook het kasteel blijkt een weinig gesloten. Dat wil zeggen dat het hek dicht zit, maar de ophaalbrug is niet omhoog. Bovendien is er een bord met uitleg. Het blijkt dat na de pacificatie van de Bretonnen in het algemeen en het erkennen van de Bretonse taal in het bijzonder het leger dat het kasteel bewaakt is ontbonden. De vrijgekomen ruimte is opgevuld met het museum en het gemeentehuis. Dat laatste garandeert regelmatige openingstijden (we gaan hier even voorbij aan de Franse volksaard om om de haverklap te staken).

Na een rondje buitenkant kunnen we inderdaad naar binnen. Met een kaartje kunnen we via een digitale scanner naar binnen. We kunnen drie torens bezoeken met ieder een aantal kamers met verzamelde museummeuk. Deze varieert van katholieke priesterkleding tot opgezette kikkers in komische houdingen. Onderweg loop je langs wat kantelen waarbij je zo nodig actief kunt werken aan een anti aristocratische houding als je een Rohannetje tegenkomt (we hebben ook een beeld van De Guesclin gezien, maar dat was een kwaaie, hier geldt “liever blo Jan dan do Jan”).
Op weg naar de auto passeren we de Kathedraal (ook van binnen), waarna we de reis vervolgen. Vitré heeft zijn Michelin sterren waargemaakt!
Voor hen die denken “Michelin sterren gaan toch over eten” moet ik nog even iets kwijt over de kaart van Nelleke. De nieuwe uitgave is ook begonnen aan het geven van sterren aan plaatsjes en attracties. Onze plaatsjes van vandaag zijn sterrenattracties.


Fougères heeft een Middeleeuwse militaire bouw. Dat wil zeggen: nog onneembaarder dan Vitré met een zeer sterke vestigingsmuur om de rest van de stad heen. Deze is nog grotendeels intact. De 13e eeuwse oorspronkelijke wachttoren aan de “andere kant” van het dorpje is zelfs de oudste in deze staat in Frankrijk. We bewonderen met name de stutten. Fougères heeft een aantrekkelijke stadswandeling die ook langs de Kathedraal en de botanische tuinen leidt.
Zo als in alle plaatsen is ook hier weer een belangrijke publiekstrekker gesloten. Het is de steengroeve achter de parkeerplaats bij het kasteel waar nu een duikbasis van een aantal FFMAS verenigingen is.J
Terug op de camping blijkt de file te zijn opgelost. De Fransen hebben onze camping bereikt. Het maakt dat er iets meer leven in de brouwerij is. Maar toch, onze camping is het niet. Dat is een kwestie van smaak. De stagiaire is behulpzaam en kent je onmiddellijk van naam, de chef de bureau lijkt daarentegen anale kramp te krijgen als hij Engels hoort. Met de stacaravans is niets mis, maar het zijn geen Louisianes. Het zwembad is ok, maar om het nu een “recreatieve water ervaring” te noemen…. Er is een opblaaspaard en een thema midgetgolf (piraten) en om alles heen staat een tamelijk oorspronkelijke muur, waardoor terecht gesproken kan worden van een “enclos”. Misschien is het  probleemwel het beste duidelijk te maken aan “le manoir”. Het is een klein chateaux uit ca. 1850. In de onderste etage zijn de ruiten vervangen door modern thermopane. Alleen is het opknappoces verder niet afgemaakt. Het dak ziet er uitstekend uit, maar de verdieping en de dakkapellen in de torens lijken te oefenen om ruïne te worden. Er wordt hard gewerkt om er iets van te maken, maar zonder overtuiging of visie. Maar misschien verwachten wij te veel….
Roulez a Pied (Niet Piet, en ook op Jean et Marie mag je niet inrijden) verlaten we het terrein nog één keer voor een fotoshoot in Quelmer. De stapel breiwerk (met name sokken) die Nelleke geproduceerd heeft moet worden gefotografeerd. Het meeste ligt al vast, maar de kapersokken nog niet. Waar beter dan op een wrak in de haven van Quelmer. Dit geeft tevens de kans de serie Kno’f, Pi’aten Admi’aal te maken. De vloed en het licht zijn ideaal en zo eindigt een geintje in een serieuze fotoserie (en foto’s van een sok en een pluche varken)

22 mei

Het is de laatste dag van de vakantie. Het Saint Malo dat we tot nu toe hebben beschreven is het oude eiland, dat nu als Intra-Muros wordt aangeduid. Inmiddels is het eiland deel van het land en is de stad min of meer vastgegroeid aan een aantal andere plaatsen waardoor een groot toeristengebied is ontstaan. We beginnen in Cancale, dat iets verderop ligt, maar via de Sentier des Douaniers kan je zo terugwandelen naar Saint-Malo. Of naar Ploumanac’h of Brest. Want het is een grand randonnee, of te wel een (te) lange afstand wandelpad. Wij gaan niet verder dan het even verderop gelegen Cap Grouin. Van daar uit heb je prachtig zicht op Normandië en kan je kijken in de richting van Cap Fréhel. Voor de gelegenheid wordt geweldig weer bijgeleverd. De laatste dag kan wel op, maar niet stuk.


We maken het niet te gek, alleen rijden we nog even naar het beroemde aquarium van Saint-Malo. Op dit punt is het zaak de ouderdom van “de gids” te controleren. Vele gidsen verwijzen naar Intra-muros. Dat is prima, maar de vis moet dan wel in een van de vele restaurants of visstalletjes langs de muren van de burcht worden bekeken. Het “echte” aquarium is verplaatst naar de rondweg. Een heel modern complex pleegt naar goed kapergebruik een aanslag op je portemonnee, maar biedt daarna ook wat. De tropische collectie is beperkt, maar dit wordt meer dan goed gemaakt door de vele tanks met Noordwest Europese zeebeesten.
Nog een rondje door Cora, onze plaatselijke hypermarché en het zit er op. Oma kan weer op het dak en de auto wordt vol gepuzzeld. Even gas geven en we verlaten Illes et Vilaine, de Bretonse provincie waar we de laatste week te gast waren.


Breizh, à la prochaine!

23 mei

Het kost wat moeite de snelweg te vinden, maar daarna is het plankgas naar huis. Met 845 km blijft het een stevige rit. Alleen de vaste stopplaatsen, de Aires passen nu niet goed in het plaatje. Maar een stop bij de Pont de Normandië is ook nooit weg.



Nb. Een uitzondering op dit betoog zijn de verhalenvertellers, mensen die de gift hebben een doorleefd verhaal “weg te zetten”. Iin onze verslagen over Schotland, Ierland en Egypte figureren deze oorspronkelijke “storytellers”

Oscar noemt dakkoffers standaard “oma”. En jawel, het is blijven plakken!

Met een fiets hadden we mogelijk ook de noordkust kunnen bekijken. Die schijnt heel mooi te zijn. Maar ja er zit maar 12 uur in een dag (bij dit soort excursies)

In geval van toeristen “By actively boring them to death”