door Rob & Nelleke Kool  
  HOME ::
   
Bretagne, Ierland & Schotland 2007

(Inkloeding MacKorf goes Celtic!)

28 april 2007

We zijn fatsoenlijke mensen. Die praten niet over bepaalde dingen. En zeker niet over wekkers tijdens de eerste vakantiedag. Om 04.17 rijden we de Schaarsdijkweg op, evenals om 04.23 trouwens. Dankzij het petje op de auto hebben we een hoeveelheid spullen bij ons waar andere mensen een klein vrachtautootje of een boedelbak-type-aso voor gebruiken. Voortvarend beginnen we aan de 996 km die ons scheiden van de stacaravan op Camping West. Het weer is prachtig en de wegen zijn rustig. Er zijn weinig sleurhutten, maar het aantal petjes neemt hand over hand toe.[1]

Voor we het weten staan we op de Aire bij Abbéville. De stad heeft een paar enorme plastic kikkers neergezet om onze reisgenoot beter uit te laten komen. Het roze varken zal ons deze weken onder de namen “LeKnorf, O’Knorf, MacKnorf & Sir Knorf, Duke of Pigshire” (spreek uit: picture) vergezellen. We hebben de opdracht van Esther hem veel en vooral opvallend te fotograferen.

Het zit even tegen. Enkele kinderen denken dat de kikkers niet voor LeKnorf zijn neergezet, maar voor hen. Om nu de eerste de beste kinderen deze vakantie te begroeten met “Merde, shjoos, VA!” in combinatie met een kolenkop lijkt wat overdreven.

Gelukkig blijkt het Nederlands van de kinderen heel redelijk en het Frans van hun ouders goed te volgen: “Bonjour, nous sommes les Prenenz, comment ça va?” is zeer verstaanbaar als het gepaard gaat met een stevig Noord-Hollands accent. What are the odds, maar we zijn ze onderweg weer tegengekomen.

De aire is een aangename stop met een uitkijktoren, forellenvijver en wandelgebied. Verder is er over de rit weinig te melden. Bij de afslag Rouen is een landgenoot aan het klunzen, waardoor ik de afslag mis. We pakken de volgende en rijden door een paar prachtige dorpjes met veel bomen en planten in lentebloei terug naar de geplande route. Frankrijk is niet verkeerd!

We shoppen direkt in Lannion bij Leclerc, en komen rond vier uur aan op dé camping. Helaas onweert het daar, maar Jan, Jasper en Paul hebben de koffie klaar.

In de caravan wordt ik nagefloten. En daar Nelleke niet kan fluiten is er iets mis; vooral omdat het nafluiten aanhoudt als ik rond blijf lopen.

Nader onderzoek leert dat Les Prenez een kabouter hebben geplaatst uit de productielijn van Billy the Bass. LeKnorf is ooit eens door Esther aangesteld als waakvarken. Door snelle acties van zijn kant hebben we deze trip geen last meer van de Gnoom.

Daarnaast hebben ze ook klomppantoffels voor onze verjaardag meegebracht. We hebben dus ook geen last meer van koude voeten.

 

29 april 2007

Goede voornemens komen zelden uit. De eerste dag in Ploumanac’h doen we in ieder geval wat we ons hebben voorgenomen. Te weten weinig, twee duiken en that’s it.

Tijdens de eerste duik doet Nelleke een fotoshoot met een roze varken op het roze graniet. Ongeloof is haar deel. Volkeren reageren op totaal verschillende manieren op LeKnorf. Japanners snappen het bijvoorbeeld. En als het al niet te snappen valt, past het in ieder geval binnen hun kaders van een gezond gevoel voor humor.

Verbijstering of niet, de opdracht van Esther is om het varken goed uit te laten komen tegen de kustlijn van het dorpje dat wij allen zo goed kennen[2].

’s Middags rijden we avec Les Prenens naar Le Gouffre in Plougrescant. Het is hier net zo mooi als in Ploumanac’h, maar omdat het graniet hier zwart is komen de toeristen niet.

Onderweg merk ik dat ik ouder begin te worden, en dus milder. Ik zet les Prenens weer soepel op een dwaalspoor, maar het plezier van “The Kill” is er af. Dus wachten we ze op achter een struik en rijden gezamenlijk naar het natuurgebied. Het is hier goed wandelen. Nelleke gaat weer op plantenjacht. Het resulteert in een volgende mooie serie foto’s.

Er komen ook foto’s van knuffels die aan bergsport doen, inclusief een “making of”.

 

We eindigen de dag met een duik bij le Ranolien. Het weer betrekt net zo snel als de dag ervoor. Als we onder water zijn breekt het onweer zelfs vol los.

 

30 april ’07

De tweede volle dag Bretagne begint langzaam. Op maandag is de bakker dicht, dus kunnen we pas om negen uur terecht bij de “U”. De viering van koninginnedag is in Frankrijk niet groot. Eigenlijk stopt het wel bij mijn oranje T-shirt. Door de opdruk “Diving Safaga” wordt dit zelfs door landgenoten niet geassocieerd met de nationale trots. Nu kunnen we ook vaststellen dat onze voornaamste activiteit hier de inkopen voor morgen zijn. De Fransen vieren namelijk al heel lang de Dag-Na-Koninginnedag.

Hier is een analogie tussen volkeren waarneembaar. Wij vieren op 30 april Koninginnedag omdat onze koningin dan niet jarig is; de Fransen vieren de dag van de Arbeid door vrij te hebben.

Verder is 30ste april weinig boeiend voor het verslag. Nelleke koopt nieuwe wandelschoenen bij de Decathlon, ik maak twee duiken en we luieren. Het is een aangename dag, maar wel de derde achtereenvolgende die met onweer eindigt.

 

1 mei’07

Gewapend met de Capitool gidsen proberen we de laatste jaren meer van de omgeving te zien. Ook Bretagne is hier een onderdeel van. En hoewel we hier al jaren komen vinden we steeds iets nieuws. Of exacter: iets ouds. Vandaag starten we in Morlaix. We zijn er al een aantal keren doorgescheurd, maar we hebben er nog niets van gezien.

Morlaix is letterlijk vergane glorie. Een van de grootste havens langs het kanaal, die langzaam is verzand. Uiteindelijk hebben ze een parkeerplaats van de oude haven gemaakt. Maar rond 1700 moet het heel wat geweest zijn. Veel vakwerkhuizen, vaak volledig afgetimmerd met leien, herinneren aan die tijd. Ook de typische Bretonse kerk met een extra ronde toren mag niet ontbreken. Recenter, maar ook al meer dan honderd jaar oud is de spoorlijn van Parijs naar Brest. Die gaat over een dubbele boogbrug over het dal van Morlaix en domineert de hele stad. Om de paar passen kan je lelietjes-van-dalen kopen in het kader van de 1 mei viering.

De vrije dag wordt door de linkse partijen gebruikt om iedereen op te roepen om voor Royal te stemmen. Maar of het nu aan de naam of aan de enorme achterstand in de peilingen ligt, het wordt niet meer dan een wandeling met vlag, gelijkgezinden en hond (het blijft ten slotte een vrije dag en de hond moet ook worden uitgelaten.)[3]

Vanaf Morlaix rijden we via Locquirec terug. Weer een paar fraaie oude kerken en de prachtige baai van de plaats met een mooi strand en nog mooiere leien met allerlei poeltjes.

We sluiten de dag af met een duik bij de Ranolien.

 

2 mei 07

Vandaag doen we niets. We maken twee duiken en, c’est tout. Ik fotografeer de camping, die door de continue zorg van de beheerders steeds beter wordt. Dat zou je niet zeggen als de Jean Michel met één hand in de zak zijn beheerderhuisje ziet lakken, maar het is wel zo. Alles is goed onderhouden en de camping wordt steeds groener.

Het enige opmerkelijke is de nieuwe hengel van Thomas. Als liefhebbend ouder heeft Oscar een rode werphengel voor hem gekocht in de Decathlon. Dit moet op waarde worden geschat. Oscar haat vis, en dan beginnen we nog niet eens aan het vangen van deze geschubde wezens.

De eerste dag wordt besteed aan het onder controle krijgen van het monster. Zo hebben de Fransen verzuimd een beetje lijm tussen het handvat en de rest van het tuig te smeren. Daardoor vliegt de hele hengel weg bij het uitwerpen, ipv lood en de lijn.

Met een grote zwiep gooit Thomas de hengel uit. Daarbij wordt het feit dat “water” 1,5 kilometer verderop is straal genegeerd. Het lood eindigt met een fraaie boog in de boom. De merel en de roodborst die hier bijna permanent zitten, verplaatsen zich naar de volgende boom. Dit in tegenstelling tot Paul en Jasper die bekwaam het vistuig uit de boom bevrijden. Ik verhoog mijn populariteit door te zeggen dat het ding is om mee te vissen en niet om te vogelen. Onmiddellijk wil Thomas weten wat er gebeurt als hij mij aan de haak slaat tijdens het duiken. “Daarvoor heb ik een duikmes”, leg ik met enig genoegen uit. “Dan gooi ik hem wel in je kont”, buldert hij terug. De liefde tussen vissers en duikers is een nieuwe ronde ingegaan.

Later die middag maakt Nelleke een paar foto’s van vader en zoon die genoeglijk bij Louis XI zitten te vissen. Als ze dit Oscar vertelt legt hij uit wat in dit geval “genoeglijk” in hield. Omdat dit verslag een leuke herinnering moet zijn zullen we die tekst hier niet herhalen.

Tegen etenstijd wordt er een oude schuld ingelost. Vorig jaar hebben Jean Michel en Beatrice crêpes voor ons gebakken. Nu bakken we pannenkoeken voor hen. Of eerlijker: Marion zet het door ons aangeleverde basismateriaal om in pannenkoeken. Ze zijn uitstekend, maar niet Frans. Het wordt mij niet duidelijk of onze sympathieke campingeigenaren het nu over crêpes of crap hebben. In ieder geval zet Jean Michel zelfgebreide cider in. Voor deze drank geldt in ieder geval dat het een hogere cultureel/creatieve dan culinaire waarde heeft. [4]

 

3 mei 07

Ik ben verkouden! En niet zomaar “the sniffels”. Met stromen komt het vocht uit mijn lijf. Dit betekent direct einde duiken. Vooral jammer omdat Jan en Lana een bootduik hadden georganiseerd.

Dus doen we maar een rondje oude plaatsjes in de buurt. Dat is een beperkte ronde, want ik verslaap de halve ochtend. Maar het is wel mooi. We zetten koers richting Belle-Isle-En-Terre (BIET). Daarbij hebben we geen haast. Onderweg stoppen we bij oude gebouwen en één van de hoogste menhirs van Europa.

BIET zelf is zo onbeduidend dat het op Google Earth nog niet te vinden is.

Hoogtepunten van BIET zijn het aquarium (gesloten) de oude kerk (omgebouwd tot brandweerkazerne) het Boulodrome (Tien Jeu de Boules banen), de klompenmaker (dicht) en de nieuwe oude kerk (ook niet toegankelijk). We lopen er wat rond, en in tegenstelling tot wat de vorige zin suggereert is het er best leuk. De sfeer is die van een Ghost town, maar ook dat kunnen we hebben. Wel ligt er voor het stadhuis een enorme Leonberger. Hij slaapt.

Vanaf BIET kan je doorreiden naar Locmarie.

De grandeur van deze plaats blijkt al bij het passeren van de gemeente grens. Er zit een heel klein plaatsnaambordje onder het waarschuwingsbord voor loslopend vee.

Verder bestaat het dorp uit een oude kerk met een grote begraafplaats en twee straten met boerderijen. De kerk is open, je kan zelfs de toren op. Verder is er mooi houtsnijwerk in een koorscherm. Even buiten de stadskern is de Feunteun van I.V. Pendreo. Dat klinkt indrukwekkend, maar het is gewoon een bron met een wasbekken. Op enig moment heeft iemand (nu heilig) ontdekt dat door het water van de bron kinderen werden genezen van kinkhoest en iedere andere vorm van longziekte. Begin vorige eeuw heeft de plaatselijke adellijke tante er een trap aan laten leggen. Het mocht wat kosten maar niet te veel. Dus iedereen (wij dus) die wil worden genezen van kinkhoest of een stevige verkoudheid moet nu een natte, gladde en aan alle kanten begroeide trap op. Nelleke haar nieuwe schoenen vinden deze trap een eitje en zo komen we tevreden boven, want vanuit botanisch oogpunt is dit een prachtige omgeving.

Na Locmarie rijden we via BIET naar Plounevez-Moëdec waar we wat voedsel en drank inslaan. De plaatselijke winkelier lijkt de dag van zijn leven te hebben. Niet één, maar twee buitenlanders in zijn winkel. We fotograferen ook de plaatselijke kerk uit de 16e eeuw en rijden dan door naar Kernansquillec. Deze plaats laat zich er op voorstaan dat ze geen stuwdam hebben. Je kan je dan afvragen of dat bijzonder is. Hetzelfde geldt tenslotte voor BIET, Ploumanac’h en Tiel. In tegenstelling tot deze plaatsen had Kernansquillec vroeger wel een stuwdam. In deze tijd van kleinschalige opwekking van groene stroom heeft men bedacht dat toerisme een goed ding is. Dus is de stuwdam gesloopt en vervangen door een mooi landschappelijke gebied met een panorama uitzicht. Het dal ziet er nu prachtig uit. Met wel de resten van de stuwdam (die van een vergelijkbare grootte was als de sluizen in het Inundatiekanaal in Tiel). Het toeristische wirtschaftswunder (om er maar eens wat Frans tegenaan te gooien) is helaas uitgebleven. De enige toerist die ik kan ontdekken is de vrouw waar ik al 30 jaar mee getrouwd ben. Het is een leuke wandeling, dus we hebben er geen spijt van. Alleen het panorama uitzicht valt tegen. Hier hebben ze onmiddellijk een bos aangeplant. Dus je eindigt met veel gesjouw op een heuvel, maar uitzicht ho maar. Je ziet door de bomen het uitzicht niet meer.

Na voormalig-de-stuwdam is het tijd om via Lannion en een winkel naar Ploumanac’h te gaan. In Lannion nemen we geld op. Dit kan met een Nederlandstalige toelichting. Ernstig meldt het scherm na het intypen van pin en bedrag: “Der operatie is volle gang”. Ondertussen bestel ik een dubbele espresso. Dat kan dus niet in Frankrijk. Het is echt een vorm van Russische roulette voor een verwend koffiedrinker. Met pech eindig je met een grote bak slappe koffie. Nu krijg ik twee kopjes espresso aangereikt. Wel weet ik nog net te voorkomen dat ze slagroom in Nelleke’s cappuccino pletteren.

In Perros Guirec ga ik de perslucht afrekenen. JanVink had zich al eens afgevraagd hoe goed dit dorp elkaar kent. Het antwoord krijg ik nu. Als ik binnenstap wordt me onmiddellijk gevraagd waarom ik niet bij de anderen ben, want nu is het toch tijd voor het bootduiken. Als is zeg dat mijn holten zijn ontstoken heeft men medelijden met me en krijg ik het kaartje van de duikschool waar de anderen nu bijna mee op stap zijn.

Het was Jan al opgevallen dat hij bij het boeken alleen hoefde te zeggen dat we de Nederlanders van de camping waren…. In Ploumanac’h kent iedereen elkaar. We rijden nog even naar de haven om de echte duikers uit te zwaaien.

Na een uur of twee zijn ze terug en wordt het tijd voor de jaarlijkse barbecue. Dit jaar niet met het apparaat van Jean Michel, want die is vorige jaar helaas afgebrand tijdens de vorige editie van “Gagnan doet Bretagne”. Na het overlijden van zijn gasbarbecue heeft Oscar een skottelbraai gekocht. Vorig jaar ging dat even mis, omdat het ding smolt toen hij een hartige taart probeerde te ontdooien. Daarna implodeerde het ding. Aanvankelijk vond zijn leverancier hem een Quiche-oor, maar na veel zwaaien met gebruiksaanwijzingen en het lijk van zijn hobby-crematorium kwam er toch een nieuw exemplaar. Deze is minder radicaal dan de Gagnan barbecue, maar hij voldoet bijzonder goed.

Voor ons zit Bretagne er nu bijna op. Het was weer leuk.

 

4 mei ’07

Het wordt tijd voor de 2nd leg van onze vakantie. Vandaag vertrekken we naar Ierland. Dat is wel een vertrek met een lange aanloop, want we hoeven ons pas ’s avonds te melden in Roscoff.

We nemen afscheid van onze reisgenoten en van Beatrice en zetten koers naar Saint Thégonnec. Zoals de naam van de plaats al doet vermoeden hebben ze daar een kerk. En niet zomaar eentje. De kerk heeft een enclos, oftewel een muurtje eromheen, en een calvaire op het plein. Los van de heilige was deze plaats ook een stopplaats voor bedevaartgangers naar Santiago de Compostella. Verder heeft het dorp weinig meer te bieden dan souvenirwinkels die het moeten hebben van de uitstraling van Bretagne in het algemeen en de kerk in het bijzonder.

Het bezoek duurt daarom niet zo lang. Na een “Thégonnec zetten we koers richting het Chateau de Kerjean. Volgens Lodewijk de 11e het mooiste kasteel van Frankrijk. Ongetwijfeld had hij gelijk. Ook kon hij niet vermoeden wat Lodewijken met een hoger rugnummer nog met kastelen zouden uithalen. Sinds de 17e eeuw is een beetje de klad gekomen in het kasteel. Met veel subsidie wordt het op dit moment weer gerestaureerd. Tegelijk is voor de toeristen een enorm parkeerterrein aangelegd. Als we aankomen staat er één auto. Als we vertrekken trouwens ook, maar een andere.

Het gebrek aan bezoekers vormt geen enkele belemmering voor een grondig bezoek. Het tegenovergestelde is eerder waar. In de 17e eeuw waren rariteitenkabinetten in. Het nu deels gerestaureerde kasteel heeft een uitgebreide tentoonstelling. Deels met meubels, deels met rariteiten. Wonderen der natuur, van verschillende beschavingen, gewoon leuke dingen, alles staat door elkaar gedonderd. Het is effe wennen voor onze generatie die geleerd heeft dat een tentoonstelling netjes gerubriceerd op onderwerp, stijl en tijdvak moet zijn. Maar als je daar overheen stapt, is het een geweldige ervaring. Jammer dat alle belangrijke tekst alleen in het Frans is. Na het kasteel lopen we nog wat rond op het terrein met de oude galgen en de enorme duiventil.

Na het kasteel is Plouescat aan de beurt, waar ze een hele oude overdekte markt hebben. Leuk, maar als je hem ziet hem je hem ook onmiddellijk gezien. De tijd gaat nu al met al toch wel hard, dus we zetten koers richting St.Pol de Léon, waar we van Beatrice beslist heen moeten.

Voor we er zijn, zie ik nog een leuk kasteeltje. Een ruk aan het stuur en we staan voor een hek met veel Franse tekst. Een Engelse vertaling meldt dat Chateau de Kerouzere privé bezit is. Je mag er wel om heen wandelen. Verder is de eigenaar volgens dezelfde tekst waarschijnlijk contactgestoord: Hij heeft behoefte aan begeleid bezoek: Kijk naar de aankondiging. Voor een ieder die denkt dat ik nu nog verder ben verdwaald in de Nederlandse taal dan normaal, komt hier de letterlijke Engelse tekst. Ik hou me aanbevolen voor een betere uitleg: “Park open to walkers. I need guided visits: look at the notice”. Het wandelingetje door het park is leuk en kunnen we iedereen aanraden. Contact met gedegenereerde Franse adel hebben we achterwege gelaten.

St.Pol de Léon is de stad voor Roscoff met een aantal oude gebouwen waaronder een aantal kerken. Het is absoluut een bezoek waard en Beatrice had helemaal gelijk toen ze zei dat vooral de kathedraal fantastisch was. Heel opmerkelijk is een grote kast met daarin een soort vogelhuisjes. Op het dak van ieder huisje staat een kruis, en de opening is hart of klavervormig. Nadere bestudering leert dat hierin de schedels van de plaatselijke notabelen zitten. Hoelang na de dood de schedel is geplaatst is niet duidelijk. Wie wel en wie niet in aanmerking komt om door een gat in een vogelhuisje naar buiten te kijken ook niet. Door de vorm van de opening liggen associaties met het bestuur van de plaatselijke kaartvereniging voor de hand. De kast met schoppen en ruiten kunnen we echter niet vinden.

Nelleke begint wat haast te krijgen. In haar nieuwe wandelschoenen is ze onvermoeibaar, maar de klok tikt door en we willen ook Roscoff nog zien. Dus terug naar de auto en op naar Roscoff. Het blijkt pakweg 10 minuten rijden te zijn, inclusief het vinden van een parkeerplaats. Voor het bekijken van de plaats heb je nog eens 10 minuten nodig. Weliswaar doen we daar een uur over, maar dit alles onder het motto “we hebben toch de tijd”. Het meest opmerkelijke van Roscoff is dat er in het verleden veel Franse boeren naar Engeland trokken om daar hun uien te verkopen. De onion sellers uit ‘Allo ‘Allo zijn dus historisch, al is roeien vanuit Nouvion weer een heel ander verhaal. Roscoff staat in ieder geval nog bol van de verwijzingen naar de geschiedenis van de uienverkoop.

Na een uurtje rijden we door naar de ferry haven. Daar hoort het bootje te liggen dat eens per week naar Cork vaart. Het is even zoeken, want er ligt geen bootje. Alleen een schip dat als boter of bootst aangeduid kan worden. Uiteindelijk blijkt dat toch onze plek voor deze nacht: een hypermoderne ferry met plaats voor een paar honderd mensen. Het inschepen duurt eindeloos. Gelukkig hebben we onze broodmaaltijd bij ons én we staan naast een paar Fransen. Termen als “de Franse slag” en “Comme si, comme ça” zijn ze vreemd. Met grote gebaren zitten ze zich op te vreten over het geneuzel op de kade. Als het circus eenmaal draait gaat het snel en niet heel veel later dan de afgesproken 21.30 uur kiezen wij het ter plekke niet zo heel ruime sop en vertrekken we richting Ierland.

 

5 mei ’07

We hebben vannacht een hypermoderne binnenhut gehad. Dat sliep prima! Wel was het even zoeken naar het tweede bed, maar na wat gehannes aan een plaatje in het plafond wist ik inderdaad een bovenbed te produceren. We ontbijten uitstekend, waarna we een rondje boot doen. Ter verhoging van de feestvreugde springt er een aantal groepjes bruinvissen rond. Fantastisch om de zien, helaas niet te fotograferen. Om 10.30 plaatselijke tijd komen we uiteindelijk in Cork harbour aan. De douanier staart lang naar onze identiteitskaarten en vraagt wat teleurgesteld of dit onze paspoorten zijn. Nee, zeg ik hem: dit zijn onze identiteitsbewijzen. Uiteindelijk begint hij ze wel lollig te vinden, waarna er met een grote grijns een controle van onze foto’s plaats vindt. Hij wenst ons een prettige vakantie en we kunnen op reis Ierland in. Om te beginnen betekent dat links rijden. Vervolgens houd ik van uithangborden van kroegen. Ik weet niet waarom, maar ik vind ze leuk. In Ierland moet je die negeren, want anders kijk je verder nergens naar.

Het weer is behoorlijk en we rijden in een gemoedelijk tempo richting Macroom & Killarny. Even later staan we in Killorglin. Als er een ding duidelijk is, is het wel dat er binnenkort verkiezingen zijn. Ierland heeft net als Nederland een meerpartijenstelsel en het hele land hangt vol met posters voor de verschillende partijen. Opmerkelijk is dat Gerry Adams onder de politieke trekkers staat.

Killorglin heeft als voornaamste attractie het stambeeld van King Puck, de geit die jaarlijks tot Koning wordt gekroond. Verder lunchen we er langs een riviertje met paar vissers. Het plaatje lijkt zo uit de Ierland folders gescheurd. Bij Killorglin begint voor ons de Ring of Kerry. Het is de “rondweg” door het zuidwestelijke deel van de county Kerry, en hij brengt je langs de meest spectaculaire uitzichten die Ierland te bieden heeft (“Fog willing” voegt een pub daaraan toe).

Op grote delen van de ring mag je 100 km/h rijden, maar ik kom zelden verder dan 70 km/stress. De meeste Ieren hebben weinig moeite met de slecht onderhouden en smalle wegen. Als er 100 staat, zal je dat ook rijden ook!

We rijden door tot Portmagee. Dit lijkt een mooie plek voor een eerste B&B. De eerste zit echter vol. Ook de volgende heeft “No” onder de vacancies gehangen. De derde heeft niets. We bellen aan. Een vriendelijke vrouw vraagt of we niet weten van het dansfestival van Portmagee. Helaas, nee. We kennen de beroemde gondelvaart van Koedijk en het Fruitcorso van Tiel. Maar het dansfestival van Portmagee, helaas nee. De vrouw vertelt dat “iedereen” daarheen komt en dat alles vol zit. Aan de andere kant van de brug is misschien nog wel een plek.

De andere kant is het eiland Valencia, dat toch al werd aangeraden als duiklocatie in een gids.

Halverwege is het plaatsje Chapeltown. Deze plaats is zo klein dat geen enkele ons bekende kaart of routeprogramma het toont. Als je de exacte locatie kent is het programma Autoroute bereid om het aan te duiden als R565, maar daarmee stopt het.

In de hoofd (en enige) straat is Lyne, Bar & Restaurant. Hij wordt gedreven door een hele Lyne clan, waarvan zoon John de huidige aanvoerder lijkt.

Voor €25 pppn kunnen we terecht. De 1e stop staat vast, als we maar cash betalen, liefst voor we zijn vertrokken. Drie kilometer verderop ligt Knight’s Town, de hoofdstad van Valencia Island. Het heeft behalve een heuse hoofdstraat ook een dwarsstraat en een veerpont, de “God met ons III”. Door de dwarsstraat annex kade lopen een paar duikers. Ze helpen me aan info om onder water te komen. Even later sta ik te praten met Sandra Moriarty. Inmiddels heeft ook een andere gegadigde zich bij me gevoegd. Sandra vindt hem te onervaren en dus mag hij thuis eerst gaan oefenen. Bij mijn mededeling dat ik vrijwel alles heb zet ze vraagtekens, maar ik mag me de volgende ochtend komen melden.

Voorlopig hebben we echter cash en, zo langzamerhand, voedsel nodig. Via de andere kant van het eiland rijden we daarom langs de beroemde leisteengrotten van Valentia[5] en wat ruïnes van kerken en kerkhoven terug naar Portmagee. We stappen een restaurant binnen en vragen of we iets kunnen eten. Er zit niemand. Na een blik vol ongeloof door de serveerster wordt ons gevraagd of we nooit van het dansfestival van Portmagee hebben gehoord. We wachten de uitleg niet af en vluchten naar Caherciveen.

Caherciveen is echt een stadje met veel pubs. De humor kan je zo uit hun etalages halen. Als voorbeelden: My best friend ran off with my wife. God, do I miss him. en We don’t serve women, you have to bring your own! We kiezen voor een pub met iets minder dijenkletsers, maar met een goede chowder en fish & chips.

De service is zo snel dat er tijd overblijf om nog wat rond te kijken bij de stad. We vinden een oud kasteel, twee picten forten en vier Amerikaanse mannen. Gezamenlijk vermaken we ons om het feit dat wij nu net deze forten hebben gevonden en dat het zo prachtig is dat je er zo rond mag lopen.

Met de God met ons III[6] keren we als het donker wordt terug naar An Coal (Het Gaelic went snel). Hoewel het nog lang rumoerig is in de kroeg slappen we snel in.

 

Afgeronde rechthoek: Hier wordt het tijd voor wat toelichting. Ierland is tweetalig. Ze spreken een soort van Engels en Gaelic. Vooral bij plaatsnamen kan dat verwarrend zijn. Caherciveen wordt ook als Kaherciveen en Cahirciveen aangeduid. Vaak zijn de verschillen nog groter & wijken ze af van de namen zoals die in kaarten en routeprogramma’s staan. Nelleke zoekt zich dezer dagen het lazarus op de kaarten om ons verantwoord van A naar B te krijgen.

 

 

 

 

 9 mei’07

We staan bijtijds op. John is bereid vanaf 9 uur ontbijt te serveren, en om 10 uur moeten we bij het duikcentrum zijn. We beginnen met een beschaafde ruzie met John. Hij is van mening dat we de dag gezond moeten beginnen. Voor hem is dat een “full Irish”. Elders ter wereld heeft dat een “English Breakfast”. Ik slaag er in de sausages bij Nelleke uit het menu te onderhandelen, maar verder komen we niet. Verder is het ontbijt alleen maar als zeer kleurrijk te omschrijven.

Echte fans weten dat Elvis niet dood is. He has just left the building. Nu komen we er achter dat dit ook geldt voor Luke Kelly en Ciaran Bourke. Zij komen samen de ontbijtzaal in. Ik heb mijn eerste gesprek met een van de andere “Lesser Dubliners” dan al gehad. Hij begroet me met “Mornin’ how are you?”. Het standaard antwoord is dan “Great, and you?”

Zijn antwoord is zeker niet standaard: “Bollocks, to much drinkin’ last night!”. Even later voegt hij er aan toe ook al 15 dagen geen sex te hebben gehad, dus hij is in een terrible state.

Na enige tijd zijn ze met zijn vieren en proberen ze met ons te praten. Ciaran is niet te volgen, maar Luke en een kale Ier zetten alles om in Euro-english, dus het gesprek vlot goed.

Luke blijkt halverwege de jaren 60 een bril gekocht te hebben met oude glazen van Freek de Jonge. Hij zeult een mandolinekist met zich mee. Verder is hij de enige met een instrument. Ciaran’s handen trillen door de alcohol inmiddels zo erg dat hij toch niet zou kunnen spelen. Bovendien wil hij roken. Hiertoe wordt hij door zijn maten resoluut naar buiten geschopt. Bij navraag blijkt dat een algeheel rookverbod inmiddels effectief is en dat iedereen daar blij mee is. Het is op twee manieren gezonder. Allereerst scheelt het in het meeroken, daarnaast in het aantal vechtpartijen in de kroeg. Ieren staan hierom bekend, maar tegenwoordig stuurt men ze naar buiten om te roken als het uit de hand loopt. Daarmee koelen ze automatisch af.

Voor ons wordt het tijd om te gaan duiken. Nelleke gaat mee aan boord. Het weer is waardeloos, dus de duikmogelijkheden zijn beperkt, maar het is een leuke excursie.

Na afloop doen een tweede stuk van de Ring of Kerry. Net buiten Portmagee kent de ring nog een uitbreiding, de Skellig Ring. Het weer is dramatisch, maar de regen en mist geeft het ook wel een aparte sfeer. Nelleke kan zich goed voorstellen dat door deze sfeer de verhalen over de Elfen, Goblins en Banshees zijn ontstaan. Ierland is de afgelopen 200 jaar sterk ontvolkt. Overal staan dus ruïnes. Daarbij is het land al duizenden jaren bewoond, waarbij akkers zijn afgezet met stenen muurtjes. Die zijn dan weer begroeid met allerlei planten.

Daartussen zoeken we de meer bijzondere dingen. Om te beginnen vinden we weer twee Picten forten. Een ervan ligt aan het eind van een driekwartbaan weg waar we maar 80 mogen rijden J. Naast het fort is een boer bezig met zijn honden de schapen bijeen te jagen. Want als ze aan één ding geen gebrek hebben hier is het wel schapen. Het kat en muis spel van de honden en schapen is leuk om eens live mee te maken. Wat naslag levert trouwens een antwoord op de vraag of het toeval is dat we nu al 4 pictische forten hebben gezien. Het antwoord is nee. Er blijken meer dan 40.000 van deze forten in kaart gebracht te zijn in het land. Niet allemaal in een geweldige staat, maar je kan er toch niet omheen.

Een andere stop maken we bij het huis van Daniël O’Connell. Deze jurist heeft veel gedaan voor de positie van de katholieken in Ierland. Het heeft hem een aardig optrekje aan de kust opgeleverd. In de omgeving van het huis is een natuurwandeling uitgezet. Het is een soort duingebied met wat meer rotsen dan bij ons. De regen is inmiddels afgenomen en met een paraplu komen we een heel eind. Er staat onder andere een Pictische menhir in het gebied, de Ogham Stone. Vanaf dit punt draaien we om. Om de terugweg is het weer zover opgeknapt dat we van de uitzichten kunnen genieten.

Terug in het hotel besluiten we ons op barfood te storten. Het is een verkeerde beslissing. Gelukkig begin ik met een goddelijke chowder, maar de stew is second rate en de Nelleke’s pork gewoon smerig. Ze serveren het met groente. Bij mij is dat een bakje dat met grote toewijding verdeeld is in “halves”. De ene helft is wortel, de andere helft iets van turnips. Beiden zijn exact half gaar en half gepureerd. Nelleke haar “pork” is half opengesneden en vervolgens met het materiaal volgens het revolutionaire “halves” principe gevuld. We danken de Lyne’s voor de extra calorieën van het ontbijt. We hebben ze nu nodig!

7 mei ’07Als ervaren wereldeters storten we ons op het ontbijt van John. Bij het afrekenen blijkt het diner van de vorige avond “on the house”. Daarna storten we ons in de auto voor de rit naar Westport, county Mayo. Het wordt een monsterrit van 670 km waar we twee dagen over zullen doen. Althans, volgens Bill Gates. Nelleke houdt het op “net haalbaar en ca. 420 km”. Probleem is namelijk dat je hier niet kunt doorrijden. De Ieren hebben zich deels bevrijd van de Engelsen. Bepaalde gewoontes hebben ze echter overgenomen. Links rijden op slechte wegen is er een van. Met de grote hoeveelheid dieren is het onvermijdelijk dat er onder deze omstandigheden vaak iets wordt doodgereden. Onder de roadkill zien we vandaag zelfs een das. Het eerste stuk haal ik krap 50 km per uur. In de counties Claire and Galway gaat het iets beter. De rit biedt de mogelijkheid om veel van het land te zien. Dit bestaat voornamelijk uit lieflijke heuvels. Aardig, maar niet bij benadering zo spectaculaire als County Kerry. Bij Struthair rijden we County Mayo in. Ook dit deel van Ierland is arm en achtergebleven. Dat betekent kleine huisjes, die in veel kleuren zijn opgeschilderd. Ook is de bouw afwijkend van die van de rest van Europa. Voorkamers zijn iets uitgebouwd, hebben schreeuwende kleuren en vaak een uithangbord. Men noemt deze woonkamerbouw-stijl “pub”.

We stoppen hier voor wat foto’s met O’Knorf. We moeten tenslotte bewijzen dat hij ook in Ierland is geweest. Aan het eind van de middag, en 350 km verderop, rijden we Westport binnen. Na wat gezoek komen we bij de B&B die we hadden uitgezocht. Nelleke is dan al licht wanhopig omdat ik een paar honderd andere B&B’s voorbij ben gereden. Maar laten we eerlijk zijn, we slepen onze hernia-verzameling gidsen niet voor niets mee. De 2e op de lijst is Bertra. Ook dat zit een beetje tegen. Volgens de omschrijving krijg je er eigen-gebakken koekjes en ligt het aan de voet van Croagh Patrick. Deze laatste B&B ligt eigenlijk wel heel erg ver in de buitenwijken van Westport. In feite ligt het gewoon bijna 2 plaatsen verderop. Bij aankomst in Bertra blijken ook de eigengemaakte koekjes een broodje aap verhaal. Maar Margareth en het huis bestaan echt en ze zijn fantastisch. De 2e Ierse stop is geregeld.

We keren terug in Westport om de duikschool te zoeken. In onze mobiele (debiele?) infotheek zit het adres….in Connemara L. Volgens mijn duikmaten in Knight’s Town is het hier echter goed duiken. Een speurtocht levert echter niets op. Ook het vinden van Aghagower levert aanvankelijk problemen op. Dit is met name frustrerend omdat we er op de heenreis langs zijn gekomen. Uiteindelijk vinden we het gehucht met zijn ronde toren en begraafplaats. Ook hier heeft Patrick, de latere Saint, lang gebeden en een kerk gesticht.

Voor het eten keren we terug naar een tavern in Murrisk, het plaatsje waar B&B Bertra vlak bij ligt. Tra is Gaelic voor strand, en daar zitten we ook min of meer aan.

8 mei.

We beginnen de dag met een stop bij Croagh Patrick. De berg van Pat laat geen petjes toe, althans niet die in de vorm van skiboxen. De slagboom bij de parkeerplaats is zo laag dat we er niet met de auto onderdoor kunnen. Croagh is even Gaelic als tra, maar nu is het een berg. Op de berg heeft Patrick een pissing contest van 40 dagen met de Ierse druiden[7] gehouden. Het is nu de bedoeling om als bedevaart op je blote voeten de berg op te lopen. Daarbij zijn een aantal stops waarbij je biddend rondjes moet lopen. Helemaal boven zelfs net zo lang tot je duizelig bent. En vervolgens moet je betalen. De tocht begint bij het beeld van St.Pat die met een shamrock in de hand naar de gelovigen kijkt. De koers van deze pelgrimstocht is 1:7 afgezet tegen een tocht naar Rome[8]. We zijn nu twee keer in Rome geweest. Dat spaart ons 14 keer op blote voeten tegen de berg op uit. Vandaag lijkt een goede dag om dus niet naar boven te gaan.

Onderaan de berg staat een indrukwekkend beeld voor de Great Famine. Het is een luguber beeld van skeletten die per boot van Ierland naar Amerika vluchten om de hongersnood te ontlopen.

Ook is er een Abbey. Althans de resten van. De begraafplaats belooft weinig goeds voor de familie Pendergast. God wat hebben ze er daar veel van begraven hier.

Na de stop bij deze achtertuin van ons B&B geven we gas richting Achill, waar we via Westport en Newport komen. Het gebied bestaat uit twee eilanden waar je overheen kan rijden. Het is een An Gaeltacht waar je met enige regelmaat Geill Sli[9]. Niet alleen ten tijden van Geill Sli is het oppassen geblazen. Overal heeft men hier schapen. Die vind je dan ook overal, met name midden op de weg.

Het hele eiland is één groot blanket bog[10]. Tijdens de afgelopen dagen heb ik een aantal keren het idee gehad dat mijn koppelingsplaten het aan het begeven waren. Waar zou de stank anders vandaan moeten komen. Dat antwoord vinden we nu. Het is een graad of 14, dus er wordt nog steeds gestookt. En om precies te zijn: turf, dat hier op veel plaatsen wordt gewonnen.

Het eiland heeft een paar toeristische argumenten om het te bezoeken: Een hunebed, een oud kasteel en een volledig verlaten dorp. De enige echte reden om er heen te gaan is de prachtige natuur, zowel op de heuvels als op de enorme cliffs. Met overal de schapen. We brengen er vlot de rest van de dag door. Daarna is het tijd voor een bedevaart naar Westport. Het is een klein stadje met zo’n 70 pubs. Wij kiezen voor Matt Molloy’s in Bridge Street. Helaas staat Matt niet zelf achter de bar maar zijn geest is gelukkig meer dan aanwezig. Twee koffie €56, de dag kan niet kapot.[11]

Nu we het toch over drank hebben, de nationale dranken van Ierland zijn natuurlijke Whiskey en Guinness. De eerste naam komt uit het gaelic: Uisce. Deze kreet vind je in de An Gaeltacht gebieden gewoon op straat. Maar reken je niet rijk, we hebben het over water wat hier door de leidingen loopt. In het verlengde daarvan is het opmerkelijk dat het Russische wodka ook water betekent.

We eindigen de tocht andermaal in de tavern in Murrisk, waar het eten fantastisch is. Bijna kunnen we zelfs vroeg naar bed. Nog even naar het toilet en…. Het watercloset begeeft het! De waterstraal erachter is berekend op het in 15 seconden vullen van de stortbak. Als dat niet wordt gestopt hebben we de hele nacht een pokkenlawaai. Een bescheiden klopje op de deur van Margareth, en husband & son rukken uit. Een half uur, een cent en veel duct tape later hebben ze de kraan gewurgd. En wij bezitten een sleutel om in de kamer ernaast naar het toilet te gaan.

9 mei’07

Vandaag is het tijd om van Murrisk naar Dublin te rijden. Ierland is, in ieder geval op borden, volstrekt tweetalig. Plaatsnamen staan altijd dubbel op de borden. Dublin, of Dubh Lin is gaelic, het betekent Blackpool. Toch is het ze niet gaelic genoeg. Daarom staat Dublin ook altijd als Áth Cliath op de borden. De betekenis daarvan heb ik nog niet kunnen achterhalen[12].

De rit is redelijk overzichtelijk. Stops bij de round tower van Meelick en het kasteel van de Keltische Queen Maeve, en we staan op de snelweg naar Dublin. Het kasteel van Queen Maeve is trouwens niet meer dan een heuvel in een weiland.

Dublin lijkt ons niet helemaal het beste plan voor een B&B. Dus kiezen we de route van het treintje Dublin uit (de DART). Dat gaat niet echt vlot, maar uiteindelijk eindigen we in een hotel in Bray. Lucy achter de balie is zo dom dat we denken dat ze dezelfde dag nog is ontslagen. Ze beweert bijvoorbeeld dat het dinsdag is, terwijl Nelleke vindt dat het woensdag is. Misschien komt Lucy ermee weg, maar op het moment Nelleke haar agenda trekt is het schaap natuurlijk kansloos. Eigenlijk interesseert de situatie me tot op dat moment geen pest. Ik wil graag een kamer van de 9e tot de 12e, leg ik haar uit. Ondertussen gaat er iets mis bij onze jongedame. Om een groot Ier uit de moderne muziek te citeren: A silken chip inside her head has switched to overload. Bij gebrek aan vuurwapens en zware voorwerpen haalt ze haar chef er bij. Of die maar even wil vertellen wat voor dag het is. “Wednesday”, is het correcte antwoord. Ik kan het niet nalaten om de houding van de ware schaatsfan aan te nemen die zojuist Kramer dingen ziet doen die je alleen bij de Mongool uit Made voor mogelijk hield. “YES, WE’VE WON!!!” bulder ik. Nu wil de chef uitleg. Meewarig kijkt ze het inmiddels heel erg kleine baliemedewerkstertje aan: “Oh my god, how did you survive the morning” wordt haar toegevoegd. Met een rood hoofd begint het slachtoffer ons voorstellen voor verblijfprijzen te noemen. Bij het derde en laagste aanbod heb ik door dat ik me moet gedragen als op een veiling. Met een variant op “Mijn” halen we een aantrekkelijk bod binnen. (Tot mijn blijde verbazing hoeven we bij het vertrek maar € 8 meer af te rekenen.) In gedachten reik ik Lucille een Shoarma d’Honneur uit.[13]

We schuiven onze niet geringe hoeveelheid bagage in de kamer en nemen de DART naar Dublin. In ca. een half uur staan we aan de Liffey. Vandaar uit doen we een verkennend rondje langs St. Stephans Green, Trinity College, the Bank of Ireland en een universiteitskerkje. We eindigen bij Pizza-hut en maken nog een rebusfoto voor Oscar. Nelleke’s eerste kennismaking met de stad zit er op.

Een speciale vermelding moet nog worden gemaakt van het standbeeld van Molly Malone. En niet alleen omdat we O’Knorf daar fotograferen terwijl hij kokkels en mossels verkoopt. Het beeld staat voor de Ierse muziek. Daar hebben we nogal wat CD’s van. Het gevolg is dat we bij onze reis door Ierland bij iedere plaats van enige betekenis in een lied kunnen uitbarsten.

Een eervolle vermelding in dit verslag verdient de keten Insomnia ™. Het is een keten die het Starbucks concept heeft gejat, maar daar fair trade aan toe heeft gevoegd. De kwaliteit is dezelfde als die van de door ons zo aanbeden keten.[14]

10 mei’07

Vandaag is het wederom Dublin/Áth Cliath dag. Tijdens onze cursus kunstgeschiedenis is veel aandacht besteed aan iets wat in Tiel het “Boek met Kjells[15] zou heten. Het origineel van deze bijbel ligt in het Trinity College. Zo’n oud boek leg je natuurlijk onder bijzonder licht. Met mijn kleurenblindheid zie je er dan niets meer van. De tentoonstelling er omheen is in ieder geval de moeite, en ook de hoofdzaal van de bibliotheek is indrukwekkend.

Daarna koopt Nelleke wat Keltische sieraden (met Kjells) en ik bevrijd een aantal CD’s uit the Celtic Note…

Het daarop volgende rondje leidt ons langs alle belangrijke gebouwen van de stad: musea, het parlementsgebouw de Dail, de twee grote kathedralen, de burcht, het Temple district en het postkantoor op O’Connell Street.

Twee musea doen we van binnen. Het Archeology and History museum geeft een mooi overzicht over de oudheid van Ierland. De Chester-Beatty Library bij de Burcht van Dublin geeft een uitstekend overzicht over een aantal wereldgodsdiensten met stukjes bijbel die teruggaan tot het jaar 150 en Qu’rans van honderden jaren oud. Ook boeddhisme en andere oosterse godsdiensten komen uitvoerig langs.

Iets minder vreedzaam gaat het er in het Temple Bar district aan toe. Een aantal jongeren is elkaar volkomen lens aan het slaan en schoppen. Het blijkt de straatoefening van de School of Acting te zijn.

De laatste stop is het postkantoor op O’Connell Street. Niet om postzegels te kopen of zo, maar omdat hier in 1916 een opstand tegen de Engelsen is begonnen. Weliswaar is die nog zeer bloedig neergeslagen, maar enkele jaren later moesten ze Ierland toch hun onafhankelijkheid gunnen.

We eindigen de dag met een earlybird dinner in een restaurantje naast de pub O’Donahue, waar de Dubliners ooit zijn begonnen. Het was een leuke en interessante dag, maar het was ook genoeg. Dublin √.[16]

11 mei ’07

Een verder waardeloos Berlitz gidsje had één aanbeveling: neem de Dart en bezoek het mooiste stuk van Ierland, de Wicklow Mountains achter Dublin.

Na een week Ierland past ons de nodige bescheidenheid als het gaat om het uitroepen van “het mooiste”. In ieder geval hebben we de Cliffs of Moher en Dingle nog niet gezien. De omgeving van Bray kan in ieder geval als buitengewoon fraai worden genoteerd. Als eerste gaan we naar Powerscourt, waar ze een landgoed hebben met prachtige tuinen. Een soort mini Versailles. De tuin heeft onder meer een speelgoedtoren model middeleeuwen van een meter of twintig en een begraafplaats voor huisdieren.

Daarna is het tijd voor het oude Ierland. Glendalough is een plek met een round tower en de ruïnes van de oude abdij en klooster van St. Kevin. Het hoost van de regen, wat het niet maximaal aangenaam maakt, maar wat wel een zeer Ierse sfeer oproept. Uit het verhaal kan mogelijk de conclusie worden getrokken dat er in dit land ook 40.000 round towers hebben gestaan. Niets is minder waar. In tegenstelling tot de pictenforten zijn ze tamelijk zeldzaam. Het is de de speurzin van Nelleke die er voor zorgt dat we deze torens tegen komen. We krijgen hier een rondleiding en Nelleke vraagt naar het onderscheid tussen een round tower en een broch. Niemand van de experts weet dit, maar gelet op de reactie zal internet deze avond overuren maken in de Ierse huishoudens om het verschil tussen de Schotse broch en de Irish round tower duidelijk te krijgen. Ook aan Nelleke is goed te merken dat we nog niet klaar zijn met de broch’s!!!!!

Vanuit Glendalough zetten we koers richting Hollywood. Om precies te zijn het Ierse Hollywood. We halen die plaats niet, maar pakken wel een stuk van de Excalibur route. Langs deze weg zijn onder meer de films Braveheart en Excalibur opgenomen. Met alle ruïnes in dit land is het niet te geloven, maar ze hebben er zelfs een nieuw vervallen kasteel voor gebouwd.

Zeker in de regen en mist kunnen we deze weg iedereen aanraden.

Tegen de tijd dat we terug zijn in Bray is het droog. We eten hier het diner dat is inbegrepen in het pakket dat Lucille ons heeft verkocht. Andermaal wordt duidelijk waarom de Irish Cuisine de wereld niet heeft veroverd. L

Na het eten doen we een rondje Bray. Het is een soort Scheveningen zonder dat het Esplanade hotel het niveau van het Kurhaus haalt. In feite denk ik dat we bij een volgende gelegenheid zouden kiezen voor het iets verder gelegen Greystones. Maar de wandeling levert een aardige fotoserie van een Iers stadje op en daar was het ons om begonnen.

12 mei ’07

Onze laatste dag Ierland. Vanuit Bray zetten we via de rondweg van Dublin koers richting Belfast. Onderweg hebben we een stop gepland bij Newgrange, want Nelleke heeft ook hier “oude meuk” ontdekt. In dit gebied, Co. Meath, dat deel uitmaakt van het oude Ierse koninkrijk, zijn veel Neolitische vondsten gedaan. Bezoek blijkt uitsluitend mogelijk via een bezoekerscentrum dat de toeristen met busjes heen en weer rijdt. Als we dit uiteindelijk hebben gevonden kiezen we voor de lange tour. Deze brengt ons eerst naar Knowt (spreek uit Nauwt), waar Mandy ons in de stromende regen rondleidt langs een grote grafheuvel met allerlei satellietheuvels er om heen. Ze vertelt van alles over de opgravingen en de controverses tussen de verschillende hoogleraren die sinds 1962 deze plek aan het onderzoeken zijn. De grafheuvels hier zijn aanmerkelijk ouder dan de Piramiden. De stenen zijn in de steentijd bewerkt en hebben allerlei Keltische motieven. Heel verfrissend stelt ze dat, omdat niemand weet hoe het hier precies gegaan is, iedereen zijn eigen interpretatie mag hebben. Ze daagt ons ook uit om die zelf te ontwikkelen. We gaan de grootste heuvel in en fotograferen alles wat los en vast zit. Als ze uitgesproken is, stopt de regen en kunnen we ook de heuvel op om van daar naar oudheden in de omgeving te kijken.

Na een krap uur brengt de bus ons terug naar het bezoekerscentrum van Brú Na Bóinne (spreek uit “brune bone”) waar we overstappen in het busje naar Newgrange (spreek uit Newgrange). Daar worden we opgewacht door een Eddy. Om de sfeer te verbeteren zet de VVV onmiddellijk weer de kraan vol open. In tegenstelling tot Mandy is Eddy een bore. Hij spreekt van de groep af, of slikt het laatste deel van zijn zin in. Bovendien is er geen twijfel bij Eddy. Vijfduizend jaar geleden was de zee 4 tot 8 meter hoger, waardoor de tonnen wegende stenen relatief makkelijk naar de heuvels gevaren konden worden. Bovendien was het een paar duizend jaar voor de Good Lord langskwam, dus waarom zouden we ons zorgen maken. Ook hier gaan we de heuvel in. Fotograferen mag niet. Nelleke krijgt op haar flikker omdat haar paraplu een steen raakt, ik omdat ik mijn tas verkeerd beet houd. Als we het hol weer uitkruipen, staat een nieuwe groep bezoekers voor te weken in de stromende regen. “It’s dry inside”, vertel ik ze blij. Of ik kan geen grap vertellen, of ze hebben ook een Eddy, maar er kan geen lach vanaf.

Evenals Stonehenge zijn heuvel en stenen zo opgesteld dat het begin van de winter en bepaalde andere zon en maanstanden zijn aangegeven door de stand van de stenen. De heuvels zijn ook allemaal oost-west georiënteerd met hun openingen. Kortom, ondanks de Eddies van deze wereld is er genoeg om je te verwonderen en om over na te denken.

Verder blijkt het bezoek hier voortreffelijk georganiseerd. De regen stopt ook hier op het moment dat de gids is uitgesproken en het busje wacht ons keurig op. Na een head count worden we afgezet in het bezoekerscentrum waar we met een zeer verlate lunch en een bezoek aan de uitstekende tentoonstelling onze stop afsluiten. Kom je ooit ten noorden van Dublin: bezoek “Bruine bonen!”.

Het wordt nu tijd om plankgas richting Larne te rijden. Hier beginnen we morgen de 3rd and last leg van onze vakantie, de overtocht naar Schotland.

Ierland en Groot-Brittannië blijken de onderlinge grenzen open gegooid te hebben. Het onderscheid tussen de landen merk je eigenlijk alleen aan het feit dat de kilometers erg lang duren en dat mensen agressief reageren als je 50 rijdt op plekken waar borden met 50 staan.

Ook het landschap verandert niet. Het blijft heuvelachtig met weilanden die zijn afgezet door begroeide kleimuurtjes (dit in tegenstelling tot de stenenmuurtjes in grote andere delen van Ierland).

Belfast heeft verschillende bladzijden in de Capitool gids, maar zo in het voorbijgaan lijkt de plaats nog minder boeiend dan Dublin. We passeren het dus in hoge snelheid en komen binnen de kortste keren in Larne aan.

De gids had ons een B&B met uitzicht op de haven aangeraden. De eerste blijkt vol, maar zo zegt men, mogelijk heeft Agnes van hiernaast nog wel plek.

The Manor House, zoals het buurhuis zich noemt, heeft niet minder dan vier sterren. Agnes heeft inderdaad plek. En, stelt ze, hoewel ze de hoogste ranking van Larne heeft, is ze niet eens de duurste. Dus nemen we er een kamer. Eerder in dit verslag heb ik rariteitenkabinetten als “van vroeger” beschreven. Wel, in Larne is er ook één, het Manor House van Agnes. Alleen al onze kamer kent negen geborduurde lijstjes waaronder één met Joh 3:16. Bedovertrek en behang zijn lichtblauw met donkerblauwe romantiek patronen. Het bed heeft lichtblauwe porseleinen knoppen. De kamer heeft wel alle gemakken, TV, waterkoker met koffie & koekjes, luxaflex, wekker, badkamer met elektrische boiler die direct warm is, elektrische mangel en föhn.

Agnes wil weten hoe laat we een boot moeten hebben. Na ons six o’clock volgt veel kennis van zaken. “I ain’t cooking no breakfast at that time”, stelt ze resoluut. Geen probleem, leggen wij uit, het is ook voor ons te vroeg om die tijd. Maar Agnes is nog niet klaar. “So you’re having the boat to Troon?”. Klopt, ze kent de dienstregeling. “They’re not open at six. That’s what they tell everybody, but it’s too early for them. I can have you cereals, grapefruit, bread and coffee or tea, whatever you like, but I ain’t cooking no breakfast. When you eat at 06.15 you have plenty of time to be on the harbor at 6.40!”

13 mei ‘07

Om 06.15 zit alles in de auto en zijn we klaar voor het beperkte ontbijt dat Agnes wel wenst te serveren. Er klinkt een zacht zoemend geluid. Als we beter opletten blijkt het  Leonardo da Vinci die zich in zijn graf omdraait. Zoals alles is ook de eetkamer voorzien van talloze lijstjes. Een ervan is da Vinci’s laatste avondmaal. In een geborduurde versie!

Aan de ontbijtlijst van gisteren is eigen gebakken brood en yoghurt toegevoegd. Kortom, genoeg voor een modaal weeshuis.

Om 06.35 draaien we het haventerrein op. We moeten nog 5 minuten wachten voor we aan boord kunnen.

Twee uur later zet P&O ons af in de Schotse plaats Troon. We zijn nu officieel in het grootste museum ter wereld: het vaste land van Groot-Brittannië. Geen €, geen decimaal stelsel, verkeer aan de verkeerde kant van de weg, geen landenaanduiding op auto’s of postzegels en overal camera’s die je in de gaten houden zijn maar een paar kenmerken van het museum.

Wij gaan naar Schotland, wat als afdeling moderne kunst van dit eiland kan worden aangeduid. Maar een museum blijft het.

De 1e stop is Bannockburn. Daar is een Heritage centre en de Memorial voor Robert the Bruce.

Nelleke weet veel van de Schotse geschiedenis. Ik niet. Ook niet van de Nederlandse trouwens. Samengevat: hunebedbouwers, 80 jarige oorlog, WOI en II, palingopstand en bezetting van het maagdenhuis en dan is mijn kennis wel zo’n beetje samengevat. En natuurlijk Nieuwpoort 1500.[17]

Dankzij Nelleke weet ik nu veel meer van de Schotse geschiedenis. De Schotten zijn niet ingedeeld naar dorp of politieke partij, maar naar familiegroep. Dat zijn de clans. Wie bezoekerscentra en of stambeelden volgt, concludeert dat het voornaamste doel van een clan het in elkaar rossen van andere clans is. Tenzij er Engelsen in de buurt zijn. Het bestrijden van Engelsen staat op een hoger plan van dat van andere clans, tenzij je samen met de Engelsen snel punten kan scoren tegen een andere clan.

Terug naar onze reis. Robert the Bruce wilde graag Schots koning worden. Daarvoor werkte hij veel samen met de Engelsen. Edward II was ten slotte een studiegenoot van hem.

Edward benoemde op een kwade dag een andere Schot tot koning.

Het leek the Bruce een goede zaak dit op neutraal terrein uit te praten. Als neutraal terrein werd voor een kerk gekozen. Helaas voor de nieuwe koning had the Bruce een rekbaar begrip als het ging om neutraal, gecombineerd met een onfeilbaar vertrouwen in zijn mes.

Onder het motto: de koning is dood, lang leve de koning werd Robert koning en vereeuwigd in Bannockburn. In de tentoonstelling van de Scottish Trust wordt eea bijzonder vermakelijke toegelicht door een expert; uit pure ontroering worden we dan ook voor 14 dagen lid.

Even buiten Bannockburn weet Nelleke de locatie van haar eerste broch. Elementair voor dit deel van de vakanties is dat, naast de gezamenlijke lol, dit een hadj voor Nelleke is. We zijn in het gebied dat de achtergrond vormt voor een deel van de Outlander boeken van Diana Gabaldon, de favoriete schrijfster van Nelleke. De mannelijke hoofdrol in een deel van de boeken is opgegroeid in Schotland ten tijde van Bonnie Prince Charlie. Hij is opgegroeid bij een broch, en dat moeten we zien. Op de juiste coördinaten op de kaart (er kan niet genoeg worden benadrukt dat Nelleke een meedogenloos kaartlezer van bijzonder kwaliteit is) staat een bord: Reconstruction Site. Dit klinkt veelbelovend en het hek om het terrein is niet geweldig. Bovendien is het zondag, dus who cares. Een beetje een probleem is, dat ik niet weet wat een broch is en Nelleke alleen een plaatje heeft gezien. We weten dus niet waar we naar kijken.

Wat verder op het terrein is een enorm gat, met veel water. Er lijkt maar een logische conclusie voor dit probleem: The aliens took it! Een Reconstruction team is nu de sporen aan het uitwissen.[18] Een tweede nabij gelegen broch blijkt ook meegenomen. Het Reconstruction team was hier zelfs al klaar met het wissen van de sporen. Het is een grote teleurstelling.

De reis wordt vervolgd met mijn persoonlijke bedevaart naar Doune Castle (Spreek uit: Doen). De vrouw achter de balie ziet onmiddellijk dat wij ware gelovigen zijn, waarschijnlijk omdat we devoot kijken naar de Michael Palin Award 2006[19]. We krijgen dan ook het speciale fotoboek van de 2005 documentaire te zien. We zijn niet de enige gelovigen. Een meisje loopt met een konijnenhandschoen naar binnen en we horen het geluid van kloppende kokosnoten.

We kunnen er zelfs een plastic Holy Grail kopen, maar dat gaat iets te ver. Wel genieten we van de vele zwaluwen die we zien. We kunnen niet zien of het Europese of Afrikaanse zijn. Daar ze niet met kokosnoten vliegen zullen we er nooit met zekerheid achter komen.

Halverwege de middag vinden we een B&B in de Southfork Villa. Niet in Dallas, maar in Callander. Er is dan nog voldoende tijd om iets te doen. We rijden wat rond en vinden een wandelroute de Ben A’an op. We lopen naar de top, maar niet er op J

Boven de boomgrens vinden we dat we voldoende zicht hebben op de top en op het Loch aan de voet van de berg.

De kinderen hebben dan alle drie al contact met Nelleke gezocht om haar te feliciteren met Moederdag. We schuiven een lokaal restaurant in en de 1e dag in Schotland zit er op.

14 mei’07

Vandaag staat de rit naar Fort William op het programma. Geheel tegen iedere voorspelling in is het weer voortreffelijk bij vertrek. We stoppen onderweg regelmatig om te genieten van de Schotse hooglanden. We maken onderweg een aantal stops. Onder meer bij een aantal Loch’s en bij het graf van Rob Roy.

Volgens de kaart is ook de kerk van St.Conan de moeite waard. Capitool kent hem niet, dus zou het niets moeten zijn. De hele vakantie is ook de Nippon Quotiënt al nul. We beginnen dus te wennen aan het idee dat we zelf moeten bekijken wat mooi is. Neem van ons aan, deze kerk is prachtig. Mooi langs een Loch, goed onder houden en er wordt nog gerestaureerd. Er ligt zelfs een stukje van The Bruce![20]

Afgeronde rechthoek: Nog even een stukje geschiedenis. Koning James II & VII (Eén persoon, Engelse en Schotse telling) is eind 17e eeuw het Britse museum uitgeschopt. Zijn kleinzoon (Bonnie Prince) Charles Edward Stuart, verder aangeduid als Mooie Kareltje, besloot 50 jaar later vanuit Frankrijk terug te keren om de positie van Museumdirecteur annex koning weer op te eisen. Daarbij slaagde hij er uiterst succesvol in om zo’n 1500 man direct de dood in te jagen. Verder gaf hij de Engelsen een goede smoes om genocide op de Schotten te plegen. Kareltje zelf is uiteindelijk in een jurk (geen tartan) via Dunstaffnage Castle naar Skye gevlucht en van daar naar Rome, waar hij zich uiteindelijk heeft doodgezopen Uitgebreidere stops maken we in Dunstaffnage Castle en Glencoe.

Het kasteel is eigendom geweest van de MacDonalds, een clan die later beroemd geworden is door de bereiding van fastfood. In

 

 

de dagen van het kasteel hielpen zij onder andere B. prince Charlie, waarover later in dit verslag waarschijnlijk meer.

Voorlopig besluiten we hier in de omgeving te overnachten. Het wordt Kinlochleven, een huis met meer porseleinen beeldjes dan menselijk voor mogelijk gehouden kan worden. Glencoe wordt wel het mooiste dal van Schotland genoemd. We waren er 30 jaar terug al eens geweest, maar opnieuw maakt het veel indruk. Prachtige, bijna kale bergen met veel veen er op. In Ierland hadden we al zonnedauw gevonden, nu komen we vetblad tegen.

Verder heb ik het wel een beetje gehad. Ik vind rijden in Schotland redelijk vermoeiend. Op smalle tweebaanswegen 80 – 100 rijden is te doen, daarboven wordt het me te gortig. Ik rij dan zo’n 20 km sneller dan andere toeristen, met name campers en caravans. Helaas rijd ik dan 30 km langzamer dan de Schotten.

Vanuit Glencoe rijden we secundair het dal uit, op zoek naar een restaurant.

Op dit punt moet even worden aangegeven, dat de clanstrijd nog steeds leeft. Werken aan onafhankelijkheid van de Engelsen is stap één, maar onderlinge vetes bestaan nog steeds.

Neem nu de Campbells, een clan die werkelijk beroemd geworden is in het clanrossen en soep koken. Bij het eerste hadden ze weinig last van geweten of ideeën rond fair fight. Dat heeft hun naam geen goed gedaan bij de Schotten.

Het restaurantje The Cladaig Inn waar we in the middle of nowhere uitkomen is bij de ingang zeer specifiek: “We serve no hawkers or Campbells”. Ik bestel linzensoep en haggis with neaps ‘n’ tatties.

De haggis is uitstekend. Het lijkt het meest op gekruid gehakt met graan. De tatties staat voor patatos en is gewoon aardappelpuree, een product dat je niet makkelijk om zeep help. Dit in tegenstelling tot de neaps waar je alleen uitstekend varkens op kunt houden. Knolraap is in Nederland dan ook volledig van het menu verdwenen. Dus tip voor de reiziger: bestel haggis with tatties‘n’ no neaps!!

15 mei 2007

We beginnen de dag met een Amerikaans echtpaar dat de West Schotland Route aan het wandelen is.

Hij is een militair uit Wiesbaden. Vandaag lopen ze de laatste etappe naar Fort William.

Ze zijn enthousiast, maar vertellen ook dat alles in hun voeten en benen verzuurd en versleten is; dus toch maar de auto. Vandaag gaan we op aanraden van Oscar naar Skye.

Het wordt weer een prachtige rit door de Highlands. Nelleke fotografeert Ben Cruachan, een omgeving die gefigureerd heeft in de 1e Tuinfluiter van Jos.

 Daarbij passeren we Glenfinnan. Daar hebben we voor betaald met een 14 daags abonnement op de Scottish National Trust. Dus dat moeten we zien.

Mooie Kareltje is hier geland en heeft hier zijn vlag geplaatst. Dat is van grote historische betekenis, want de vlag is vrijwel exact op de plek van de camera’s voor de opnames van de Hogwarts express in de Harry Potterfilms neergezet. Door het beklimmen van het Karel-denkmahl en het bekijken van de filmlocatie missen we net de boot naar Skye. De omgeving is mooi genoeg om een extra uurtje rond te kijken en koffie te drinken in Maillag.

 Te midden van een Nederlandse roadstergroep gaan we met de boot naar het Eiland. Die auto’s zijn duur. Dus hebben ze een alarm. Die gaan af als de auto wordt geschud op een boot. God wat maken die krengen een herrie!

Schotland is mooi, Skye is mooier, daar kunnen we kort in zijn[21]. Net zoals in de rest van dit museum hebben voetgangers en schapen gelijke rechten. Bordjes met “Pas op Oude Mensen”, “Pas op Kinderen” en “Pas op Schapen” zijn gelijkelijk over de wegen verdeeld. Dit geldt niet voor de aangeduidenen. Er staan aanzienlijk meer schapen op de weg.

Onmiddellijk bij aankomst staat er een verwijzing naar MacDonalds. Maar niets Golden Arches, het is het oude Kasteel Armadale van de clan (ook wel: O’Dhomnail, Donald, McDonald, McDonalds en alle andere varianten er op). De kasteelruïne stelt weinig voor. De tuinen er om heen en het museum met de MacDonald kijk op de wereld[22] zijn prachtig.

Na het kasteel doen een rondje single track road over een deel van het eiland. Prachtige uitzichten op bergen, veelal met blanket bogs. Op sommige plaatsen zijn hier lazybeds van gemaakt. Dat is minder aanlokkelijk dan het klinkt. Het gaat om akkertjes die ontstaan door sleuven in het veen te graven. Het afgegraven materiaal wordt met zeewier en schapenstront op de hoogste delen gegooid en daar kan dan wat worden verbouwd.

We vinden een B&B bij Sinead Nicolson in Scullamus. Via haar komen we bij de VVV in de buurt. Toch eens vragen of er gedoken kan worden. Nu, dat kan, maar dan in Lochbay, Waternish. Da’s aan de andere kan van Skye. Maar goed, je hebt vakantie dus waarom niet.

Het is een mooie tocht over dit eiland dat tot de Hebriden behoort. Halverwege wordt de kaartlezer ineens meer dan enthousiast: er staat een broch op de kaart.

Snel wordt duidelijk dat hier geen aliens aan het werk zijn geweest. Dún Beag staat er in volle glorie en met toelichting. Broch’s, ronde stenen gebouwen, stammen uit de periode van 700 voor tot 500 na Chr. Ze dateren dus uit het tijdvak voor de steenforten in Ierland (die ook Dún worden genoemd).

Duidelijk is dat ook hier bescherming een hoofdfunctie is geweest. De broch’s zijn, hoewel ouder, wat complexer dan de Ierse steenforten. De stenen muur heeft een “spouw”. Deze begint heel breed. Je kunt er lopen. Vervolgens loopt het geheel taps toe, totdat het boven als één geheel eindigt. De broch’s in deze vorm komen alleen in Schotland voor. Men veronderstelt dat de spouw als opslagplaats werd gebruikt. Het geheel diende als bescherming voor de hele familie.

Ook het duikcentrum vinden we, maar de moeder des huizes heeft weinig tijd. Ze staat net te koken terwijl twee tweelingen de zaak succesvol proberen te ontregelen. Ze heeft in ieder geval een folder en een internetsite, dus daar komen we uit.

Ondertussen heeft Nelleke een tweede broch locatie ontdekt. Deze ligt om de hoek bij het duikcentrum, bij het plaatsje Dunvegan, waar we ook even langs het plaatselijke kasteel hollen. Het kost iets meer tijd het tweede broch te vinden. We vinden het met wat moeite in een weiland. De afgelopen 2000 jaar blijken het bouwsel geen goed gedaan te hebben. Toch is de vorm, nu we weten waar we naar moeten kijken, heel herkenbaar. Bij gebrek aan verdere info gaat hij maar als Noch’N’Broch de fotoarchieven in.

We eten in een restaurant in Dunvegan waar men me Cullen Skink verkoopt als typisch Schots gerecht. Het blijkt een vissoep die iets lijkt op de chowders. Het is iets eenvoudiger en met aardappels. Goed te eten en eindeloos veel beter dan bouillabaisse.

Via een ander bocht keren we terg naar ons B&B. Skye mag blijven.

16 mei 2007

Vandaag verlaten we Skye al weer, na een ontbijt met een professioneel jager, Angus McLaren, en zijn vrouw uit Zuid Afrika.

We gaan terug naar het hoofdeiland der Britten via het pontje in Kylerhea. Da’s even zoeken, want de concurrenten ontkennen dat het bestaat. De weg er heen is een single track, met hellingen van 20% & schapen. Kortom een prachtige rit. De dienstregeling is overzichtelijk. Het pontje gaat iedere 20 minuten, tenzij het rustig is. En het is altijd rustig. Na een half uurtje zijn we echter over, dus wie zeurt er. (Wij een beetje, want het regent. De natuur maakt iets goed, maar verder is er helemaal niets)

Aan de andere kant ligt Glenelg, een plaatsje met drie broch’s. De eerste twee staan luid en duidelijk aangegeven. De derde is ruim een kilometer lopen nadat de beschaafde wereld is gestopt. Ook dit broch zou in een makelaars-gids worden aangeduid met “heeft enig onderhoud nodig”. Koeien en schapen schudden dan ook hun hoofd als ze ons door een riviertje, in de regen, richting heuvel zien waden. Maar weten die beesten iets van vakantie houden.

Het middelste borg, Dún Troddan staat er nog het beste bij. Naast het huis aan de overkant besluit iemand doedelzak te gaan spelen. Toeristischer kan het niet worden, maar ook niet leuker!

Wandelen & fotograferen hebben veel tijd gekost, dus het wordt tijd om richting Inverness te planken. Soms blijkt dit museum niet helemaal op orde. Langs de weg staat een eenzaam bord met de Battle of Glen Shiel. Extra informatie voor deze cruciale gebeurtenis in de geschiedenis wordt niet gegeven. Dus wie het weet mag het zeggen J

Ook verder dit land zich niet voor echt leent scheuren, dus we lassen nog een dashboard lunch en een bezoek aan Urquhart Castle langs Loch Ness in. Uiteraard zien we de ruggolf van het monster. We kunnen zijn bestaan nu bewijzen, want er waren veel medetoeristen. Met name Amerikaanse bezoekers, maar ook de Nippon Index komt voor het eerst boven de nul. Het is dus een formele attractie. Als stop kan ik het iedereen aanraden. Het ding is groot en bijzonder ruïneus. Persoonlijk zou ik er echter niet voor omrijden. Wel nog even iets geschiedenis. Urquhart was van de clan Grant. Over de periode rond 1400 schrijven ze: For 150 years the McDonalds made life a misery for the people here.

In Inverness eindigen we in Corunna, de B&B van Mary & Dougie (Spreek uit Merie & Doekie). De stad kennen we al. De afgelopen 30 jaar lijkt er niets veranderd m.u.v. het restaurant “The Kitchen” wat een prachtig modern ontwerp is. De stad wordt gedomineerd door een foeilelijk nepkasteel dat begin vorige eeuw op de heuvel van de stad is gezet.

We maken er een rondje en ik eindig in the Celtic Music Corner. We informeren naar Five Hand Reel. Jammer maar helaas, er is ooit één verzamelaar van uitgekomen en die is ook niet meer verkrijgbaar. De verkoper biedt aan om de volgende dag een kopie voor me te hebben. Dat klinkt natuurlijk niet verkeerd. We eten uitstekend in The Kitchen.

17 mei 2007

We blijven drie nachten in Inverness, the capital of the highlands. Vandaag is de eerste stop het slagveld van Culloden, de plaats waar de strijd plaats vond tussen het leger van George I (Spreek uit der Gé-Org eins) tegen de Jacobites van Charles Stuart. Hoewel we op eerdere tentoonstellingen al gezien hebben dat het Clan systeem aan het desintegreren was, wordt de slag bij Culloden op 16 april 1746 en de “Clearances” die er na volgden, gezien als het echte einde van de clans.

De samenvatting: 14.000 man in een veengebied en een uurtje matten. Resultaat: 1300 doden, 1300 gewonden en 600 gevangenen.[23] De gewonden waren in meerderheid van de kant van mooie Kareltje. Deze zijn veelal alsnog vermoord door de troepen van Wim de Slachter (William, Duke of Cumberland).

Dit is een mooi moment om terug te komen op de museum status van Groot Brittannië. De vraag is natuurlijk hoe we dit allemaal weten. Natuurlijk allereerst via de film in het zorgvuldig geplande informatiecentrum, maar verder via The Brodie. Iedereen wist dat het die dag matten werd in Culloden. Het was een officiële veldslag. En dan stuurde de voorloper van de FIFA een officieel waarnemer naar het slagveld, in ons geval The Brodie. Neutraal, met de functie het verloop en de uitslag van de wedstrijd vast te stellen. Hij heeft officieel aangetekend dat de einduitslag Royalisten – Jacobites 1 – 0 was.

Dertig jaar terug was dit terrein volledig bebost. Nu doet men verwoede pogingen om weer een oorspronkelijk veenmoeras te herstellen. Dat lukt nauwelijks. Als een van de weinige plaatsen in dit museumland heeft de lokale directie (The Scottish Trust) schapen de toegang tot het gebied ontzegd. En dus zijn de berken permanent bezig de goed bedoelde pogingen om het landschap terug te brengen in de oorspronkelijke staat te ondermijnen.

Neemt niet weg dat de natuur prachtig is en dat er veel vogelsoorten te zien zijn. Verder is er een oud hutje (a bothy) en staan de vlaggen van de legers opgesteld. En natuurlijk zijn er op een aantal plaatsen grafstenen voor de massagraven van de clans. Zo is er een graf voor de McDonalds en een aantal graven met mixed clans. Nelleke vindt het graf van de Campbells te ver uit de buurt. Ik stel dat ik volstrekt neutraal ben in deze waanzin. Dus als de gedenksteen van de hamburgers wordt bezocht wordt ook de steen van de soep bekeken. De laatste blijkt het best onderhouden en clansmen leggen er nog steeds bloemen en stukjes tartan.

We eindigen de wandeling in het restaurant, waar we een hamburger nemen. Maar we blijven neutraal, het is er een van mixed Scottish Clans.

Zoals altijd bezoeken we het winkeltje. Daar loopt nogal wat volk. Iemand van de Scottish trust zegt tegen een baliemedewerker: Het is geloof weer aardig druk. Haar antwoord bevestigt dit, en geeft aan dat toerisme een natuurverschijnsel is dat kan worden vergeleken met de vogeltrek: “It’s been a long winter, but the coaches are moving again!”

Een paar honderd meter naast het slagveld liggen de Cairns van Clava. Het is een neolithische begraafplaats met drie grote cairns en een kleiner graf. Rond de grafheuvels staan steencirkels die zon-georiënteerd zijn. Er is hier meer te zien dan op het slagveld, maar er is vrijwel niemand. De Nippon index is zelfs weer nul. Hier hebben we 30 jaar geleden ook gelogeerd met de biologie-excursie. Dus met een foto van het hotel van toen wordt de tocht vervolgd richting Aulderan. Volgens ons Sottish Trust gidsje staat daar een bezienswaardigheid. Omdat het aan de weg naar Brodie ligt, ons laatste doel, ligt het voor de hand even te stoppen. Het oudheidkundige hoogtepunt blijkt Booth Ducoot, oftewel een duiventil. Natuurlijk ken ik mijn hele leven al duiventillen. Tot nu toe had ik ze vooral geassocieerd met mensen die duiven houden en ze eens in de zoveel tijd met een busje naar Frankrijk sturen om ze terug te laten vliegen. Een soort honduitlaten zonder met de riem te hoeven zeulen. Bij de enorme duiventil in Chateau de Kerjean is het pas tot me doorgedrongen dat je ook hele grote duiventillen kan bouwen, zodat je de beesten gewoon standaard op het menu kan zetten. Ook deze duiventil is zo’n voorbeeld van een plaats waar duiven werden verbouwd. Bovendien staat het bovenop de heuvel van waaruit je een goed uitzicht had op de slag van Aulderan. Engeland heeft zijn eigen Staphorst-Artikel-32-buiten-verband-protestanten gehad. Deze opwekkende lieden gingen onder de naam Covenanters door het leven. Of hun tegenstanders nu bang waren voor het verspreiden van vrijwillige manische depressiviteit, of dat er sprake was van de gebruikelijke tolerantie tussen stromingen van een zelfde geloof is niet duidelijk. Wel helder is dat men naast God ook nog verschillende machthebbers aanbad. Op 9 mei 1645 is een van slagen in de Schotse burgeroorlog hier uitgevochten. Het was een smerige slag, want hij werd ter plekke Afgeronde rechthoek: Even over clans. Iedere clan heeft zijn baas, dorpsoudste, leider of iets dergelijks. Deze functie wordt ingenomen door de oudste zoon van de oudste zoon. Dat is dan de Chieftain van de clan. Op zich niet afwijkend van de rest van de adellijke overerving in Europa uit het verleden. Aardig detail is de naamgeving van deze Chieftain. Natuurlijk hebben ze een voornaam. Maar ze worden ook The. De Chieftain van McLaren is dan The Maclaren (of Maclaren). Zo heb je ook the McKintosh of McKintoch, the McLachen of McLachen enzovoort. uitgevochten op den knoflook heuvel. Naast de duiventil staat, zoals het een goed museum betaamt, een prachtig bord met toelichting op de slag.

En wie niet geïnteresseerd is in de slag: het uitzicht op het Schotse landschap is werelds.

Onze laatste stop is Brodie Castle. Hier woonde de familie Brodie. De Brodies, hoewel minder invloedrijk dan de Clans die eerder in dit verhaal zijn langsgekomen, zijn het langstzittende geslacht in Schotse geschiedenis. Robert the Bruce heeft nog vastgesteld dat zij de heren van dit gebied zijn. Tijdens de burgeroorlog is dat document grotendeels verbrand, maar een klein strookje met die uitspraak is bewaard en wordt nu trots getoond.

De 25e Brodie, Ninian, had er nooit op gerekend The Brodie of Brodie te worden. Zijn beide broers overleden jong, en zo werd deze Londense West End acteur tegen wil en dank The Brodie. Op een acteurssalaris hou je geen kasteel en landgoed open.

The Brodie had natuurlijk enkele boeken of schilderijen kunnen verpatsen. Hij besloot echter dat historische waarde van het geheel te groot was en deed alles in één koop van de hand. Niet zomaar, maar aan the Trust. Daarbij voegde hij zichzelf als vrijwilliger aan de koop toe. Inmiddels is hij overleden. Onze rondleidster is klein en bejaard, maar heeft The Brodie nog goed gekend. Ze kent ook alle verhalen. Eigenlijk moet ze met pauze, maar als de volgende rondleider er niet snel is, stelt ze vast dat ze ’s ochtends voldoende porridge gegeten heeft om nog een toer te kunnen doen. Het kost anderhalf uur, maar er is geen moment van verveling. Details als een prachtig chinees porseleinen servies dat voor een habbekrats is gemaakt en daarna als ballast is vervoerd in een lading thee. Of The Brodie die hoofdscheidsrechter was op Culloden. Brodies die verdronken in India of verbrandden in hun eigen kasteel. Schulden van de koning die werden afbetaald met een schilderij van Van Dyck. De kamer van de gouvernante, die in tegenstelling tot de rest van het personeel een vloerkleed had. Dat lag dan wel op de kop, om het verschil met de rest van de familie aan te geven. Schilderijen van Brodies die Covenanters waren geweest, uitgevoerd in zwart en nog zwarter. Daarnaast hangen er schilderijen van vele Hollandse meesters zoals Ferdinand Bol en Frans Hals. De Brodies hadden vaak een artistieke/creatieve inslag. Zo heeft een the Brodie de wilde narcis doorgekweekt om ze geschikt te maken voor toepassing als tuinplant. En er zijn voldoende bewijzen van Brodies die werken als adviseurs voor koningen en premiers (William Pitt bijvoorbeeld). Toch heeft de rondleidster ook nog de goede smaak om niet op te scheppen over alle toerisme prijzen die de 25e Brodie heeft gewonnen met het in elkaar zetten van deze rondleidingen. Want die kende ze persoonlijk, en daar wordt alleen met warmte en achting over gepraat.

Na afloop van de rondleiding scheuren we terug naar Inverness. De plaatselijke CD winkelhouder heeft me een kopie van de volstrek niet meer verkrijgbare verzamel CD van Five Hand Reel toegezegd. Hij blijkt woord gehouden te hebben, en het is nog gratis ook. Uit pure aandoening bevrijden we nog twee CD’s uit zijn winkel. Met een tweede bezoek aan The Kitchen sluiten we de dag af.

18 mei 2007

Hoewel deze dag een van de leukste van de vakantie is, ben ik er snel over uitgeschreven.

We beginnen in het Duits het ontbijt. Onze tafelgenoten hebben gisteren een aanrijding gehad, maar los van “die Totaal Schade” valt het mee (Dit in tegenstelling tot Duits praten).

In 1977 zijn we met een excursie naar Glen Affric geweest.  We bekijken dit prachtige natuurgebied opnieuw. We rijden opnieuw langs Loch Ness en stoppen eerst bij een Glen bij Corrimony. Ook hier ligt een Cairn en we fotograferen er Highland cattle. Daarna maken we twee wandelingen in Glen Affric zelf. Eén langs de Dog Falls en Coire Loch, de ander langs River en Loch Affric. Als je van natuur houdt, ga het zelf bekijken. Een beetje regen verpest de feestvreugde zeker niet. Na de Glen stoppen we nog in Beauly, dat enorm tegenvalt. Een dooie Abdij en je hebt het gehad. Tot slot bekijken we Strathpeffer. In de eerste helft van de vorige eeuw een succesvol Spa oord. Voor een groot deel is de plaats opgebouwd in de Victoriaanse stijl. Inmiddels is het uit de gratie van de bezoekers zonder dat het echt verlopen is. Als bijzonderheden zien we de Eagle Stone bij Castle Leod. Daar zegt men dat er ten onrechte is geadverteerd dat het kasteel vandaag bezocht kan worden. Maar wij hebben de  foto’s van de buitenkant. Bij de wandeling door het dorp is vooral het in ongebruik geraakte Victoriaanse station leuk. Er zitten nu winkeltjes, waaronder een houtsnijder. Zijn beelden hebben een formaat en allure die we alleen uit Californië kennen.

Bij terugkeer in Inverness regent het als een gek. We hebben van Dougie de tip gehad om in Café One te eten. Het gebeurt niet vaak, maar in dit geval een gouden tip. Een geweldig restaurant dat nog betaalbaar is ook.

19 mei 2007

We beginnen de dag aan tafel met een stel chagrijnige Australiërs. Mary & Dougie komen ons uitzwaaien. We voelen ons niet helemaal prettig. Vergelijking en sporenonderzoek doen een belangrijke conclusie naar voren komen. M&D hebben ons al die tijd Decaf geschonken. Ze zullen het ongetwijfeld goed bedoeld hebben, maar cold turkey is voor ons niet de weg!!! De route is tamelijk overzichtelijk. Eerst rijden we naar Aviemore, waar we 30 jaar geleden voor het eerst een B&B hebben gehad. Het huis staat er nog, maar is nu voorzien van allerlei puisten om meer kamers te kunnen verhuren. Wat er ook nog staat is het toen splinter nieuwe shopping centrum, waar men toen heel trots op was. Nu is het een verlopen zooitje, waarvan de helft van de winkels leeg staat.Er is een nieuwe Tesco aan de overkant, dus doel 1, het scoren van een lunch, wordt bereikt.

Na Aviemore zetten we koers richting Pitlochrie, een andere stop van onze vorige vakantie.

Het weer is inmiddels soortelijk onaangenaam geworden. Veel stortbuien en een vreselijke wind, waar zelfs de anders zo stabiele passaat moeite mee heeft.

Even voor Pitlochrie zien we een bord “Blair Castle”. Het lijkt een goede plek om cafeïne te scoren. Hoewel we de paraplu’s stevig omhoog moeten steken blijkt het een goede keus.

In het kasteel zien we noch een Tony, noch een Witch maar verder is het leuk. Op de parkeerplaats vinden we een scholeksternest en tussen twee regenbuien door wordt een doedelzakspeler uitgelaten. Hij speelt heel matig en hij weet het. Als ik hem later in een gang tegenkomt maak ik hem een compliment voor zijn optreden. Wat gelaten reageert hij: “Ach, het ging wel.” Blair Castle wordt nu bevolkt door de Murray of Murray. Een van de eerdere The Murray’s heeft de larix in Schotland geïmporteerd. In het kasteel hangen dan ook, naast de geweien van herten die net niet bijtijds gas gaven, plakjes larix.

In de weiden rond het kasteel staat niet alleen een volgende kerkruïne, maar ook een aantal Schotse Hooglanders. En nu niet Murray’s of familie van onze 2e rangs toeteraar, maar vee. Koeien dus. Het wordt een mooie foto.

In Pitlochrie heeft de tijd ook niet stilgestaan. Hier heeft de Battle of Killiecrankie plaats gevonden. Voor details verwijs ik naar de museum gids van het koninkrijk GB. Tijdens die slag heeft een soldaat een sprong over een rivier gemaakt. Dertig jaar geleden hebben we op de rots gestaan waar hij zijn niet geringe sprong heeft gemaakt. Een bescheiden bordje gaf aan dat dit de plek van de soldiers leap was. Nu is er een bezoekerscentrum met educatieve aanwijzingen voor historie en milieu en is de rots afgerasterd en voorzien van een uitkijkbankje. Je kunt niet zeggen dat dit museum geen onderhoud en uitbreiding kent J.

Na het gebodene rijden we naar de camping waar we toen hebben gestaan, de Faskally Homefarm. Deze boerderij had als een van de weinigen in het landtoestemming om de melk van de koeien direct te verwerken en aan de omgeving te verkopen.

Nu blijkt dat de koeien ook voor hun vlees konden worden gehouden. Het gebied is geëgaliseerd en er heeft ruilverkaveling plaats gevonden. Het resultaat is het vijfsterren Faskally Caravan Park with Pool. Voor ons is dit te veel vooruitgang. We geven in de storm plank gas richting Edinburgh.

De rit gaat redelijk en na een paar uur rijden we de Firth of Forth over. Hier hebben we 30 jaar geleden keien geklopt onder een brug die tot de grotere bouwwerken ter wereld wordt gerekend.

Daarna is het in Edinburgh sport om onderdak te vinden. Dat valt niet mee. Na een tijdje komen we uit bij de Travelodge, een prijskraker onder de hotels. Helaas is er alleen een smoking room beschikbaar. Met veel luchten is de crematorium stank redelijk gereduceerd. We zullen niet kankeren.

Hoewel we volledig afgebrand zijn is er tijd voor nog een rondje over de Royal Mile, de hoofdstraat vlak bij het hotel. Inmiddels is het droog, maar het licht is zo slecht dat er nauwelijks te fotograferen valt. Het is in ieder geval leuk voor een eerste indruk. We maken direct een afspraak om de volgende dag Mary King’s Close te bezoeken. We eten bij Maxies. Zoals wel meer zaken aan de Mile heeft Maxies alleen een voordeur. Daarachter zit een trap die je naar de ingewanden van de centrale heuvel in de stad brengt. Een goede maaltijd, en de dag zit er op.

20 Mei 2007

Eerder dit verslag is al melding gemaakt van Diana Gabaldon. Ik heb zomaar een donkerbruin vermoeden dat Nelleke me niet alles aanwijst wat een relatie heeft met deze boeken.

Feit is dat DG een academicus is die behoorlijk tijd heeft gestopt in het accuraat in de tijd plaatsen van haar verhalen. Om maar eens aan te geven wat dat deze vakantie heeft  opgeleverd:

  • Twee close encounters met Broch’s en vijf echte Dún’s.
  • Vele onscherpe foto’s van het Clan Fraser wapen.
  • De plaats waar Mooie Kareltje op dit eiland is geland, waar hij is gevlucht, waar hij tot koning is gekroond en waar hij in de pan is gehakt.
  • Het Fraser Museum in Beauly, dat helaas maar tamelijk definitief sinds 2 maanden was gesloten.
  • Foto’s van Kasteel Leod, wat ook niet open was.
  • Eén foto van MacKorf in Schotse outfit, hoewel dat in deze opsomming als toeval kan worden afgedaan.
  • Een boekje over de Clan Fraser.
  • Foto’s van grafstenen, tekeningen en zelfs reddingsboeien van Frasers.
  • Foto’s van kerken en pastorieën en herenhuizen in Inverness.
  • Een bezoek aan het kasteel Dunstaffnage Castle, waar Mooie Kareltje in drag is gevlucht.

Let wel, dit alles is volstrek onschuldig als je het afzet tegen mijn duikhobby. Bovendien is de overgrote meerderheid van bovenstaande lijst ook zonder achterliggende boeken zeer de moeite waard.

Dit geldt ook voor een bezoek aan Edinburgh, al heb ik me voorgenomen haar internetgroep te waarschuwen voor de gevolgen van deze stad op verder stabiele en intelligente personen.

Waarom speciaal de Schotse hoofdstad, is dan de vraag. Ik zal dat proberen toe te lichten. Een deel van de boeken speelt dus Schotland, zo’n 250 jaar geleden. Een glen, loch of berg is nog tamelijk onschuldig. Daar zijn er veel van. Zelfs begenadigde schrijvers kunnen van Inverness niet meer maken dan het is: Sloot, nep kasteel en wat kerken. Bij Edinburgh ligt dat anders. De basisstructuur ligt er nog net als toen. Op het hoogste punt van de stad ligt het kasteel. Groot, massief en niet in te nemen. Vandaar loopt, over de hoogste richel van de heuvel, een weg de stad in: de High Street. Haaks daarop staan de wegen die tamelijk stijl aflopen naar lagere delen.

Toch is er ook veel veranderd. De zijstraten konden vroeger vaak worden afgesloten en/of ze liepen van nature dood op het Loch dat onder aan de heuvel lag. Deze straten werden closes genoemd. Deze closes werden ook als open riool gebruikt. Onder de kreet “Gardiloo”[24] werd aan het eind van de middag de gezinsemmer de straat op gegooid, waarna de zwaartekracht de rest mocht doen. Door de veelvuldige Schotse regen ging dat redelijk, maar zeker niet meer dan dat. De stad werd in de omgeving dan ook Auld Reikie genoemd, waarbij werd gezegd dat je de stad eerder rook dan zag. Ter dood veroordeelde vrouwen werden geëxecuteerd door ze in het Loch te gooien. Kortom, het was een wat minder hygiënische omgeving.

De stad eindigde bij de stadsmuur, waar een pub stond met de toepasselijke naam “The World’s End”. In de 18e eeuw was de stad al doorgegroeid tot buiten de stadsmuren. Het verlengde van High Street was Canongate, waar onder ander een tolhuis stond voor hen die de stad in wilden.

De combinatie van High Street en Canongate heet the Royal Mile en is het toeristisch hoogtepunt van de stad. Het loch is gedempt[25] en veranderd in een park. Daarachter is New Town, het Edinburg dat vanaf de 19e eeuw is opgebouwd.

De stadsmuur is verdwenen, maar World’s End en Tolbooth staan er nog.

Nu komt het probleem voor DG fans. De hoofdrolspelers brachten een deel van de tijd in Closes door. Die werden genoemd naar de bekendste bewoner van die tijd. Dus ze veranderden nogal eens van naam. Gelukkig gebruikte DG fictieve closes. Helaas beschrijft ze redelijk exact waar deze waren ten opzichte van historische punten: Het kasteel, World’s End, de plaats waar Mooie Kareltje zich tot koning liet kronen en Tolbooth. We hadden geen meetlint bij ons (wel een digitale versie van de boeken), maar rekeninghoudend met pasgrootte, gecorrigeerd op hellingshoek, tegenwind, vermoeidheid aan het eind van de dag & omrekenfactor van meter naar yard is redelijk onbetrouwbaar vast te stellen om welke close het ging. Daarbij mag worden aangetekend dat de meerderheid van de closes is afgebroken en weer opnieuw opgebouwd. Kortom we hebben veel lol gehad. Bij Tolbooth zijn ze opgravingen aan het doen als voorbereiding van nieuwbouw. Foto’s hiervan ga ik aan de internetgroep beschikbaar stellen met als opmerking “als je het echt wil weten neem je net als wij een graafmachine mee”.

Vandaag lopen we dus de Royal Mile. Daarbij doen we een rondleiding door Mary King’s Close. Het is een deel van de Closes waar gewoon een gebouw overheen gezet is. Een belangrijk deel van de informatie uit het verhaal hier boven komt uit die rondleiding. Sarah, onze rondleidster, verdient een eervolle vermelding in dit verslag voor haar enthousiasme en duidelijke verhalen.

De resten van closes zijn onder de hele Old Town te vinden. Ze vormen de basis voor allerlei geestverhalen. In Mary King’s Close wordt dan ook serieus onderzoek gedaan om het bestaan van het paranormale vast te leggen.

Het is ons bij aankomst al opgevallen dat er veel politie op straat is. Aan het begin van de wandeling wordt de straat ook afgezet door motorpolitie en scheuren een paar auto’s voorbij. Er zitten mannen in die zijn gekleed in topstukken van het museum. Een paar meter verderop staat een Piperband, een Fanfare en geüniformeerde jeugd opgesteld. Na een krachtig “Oe-Uch” of een kreet van gelijke strekking marcheren ze heftig toeteren af richting kasteel.

Ik heb het niet op marcherende jeugd, zeker niet als ze zijn opgeschoren en worden omgeven door politie in kogelvrije vesten. Dus schieten we een plaatselijke agent aan met de vraag wat er aan de hand is en waar we vooral weg moeten blijven.

Vriendelijk vertelt hij dat Prince Andrew vandaag op bezoek is. Dat verklaart alles. Schotland wil een land worden in plaats van een museumafdeling. Je zit overal Schotse vlaggen en kreten als “London out”. Bezoek van de inmiddels helemaal niet meer zo jongere broer van de zieligste kroonprins ter wereld is dan ook vanuit veiligheidsoogpunt een behoorlijke migraine. Zeker als je dan ook nog de Windsor-jugend laat marcheren. Wij, als verzamelde toeristen, weten het gebeuren redelijk te negeren nadat we vele foto’s hebben gemaakt van de Pipe band. Het enige effect is dat Palace of Holyroodhouse is gesloten, want zo’n jong moet toch ergens slapen als hij aan het stappen is. Dus nog meer mensen verdingen zich voor the Castle, dat we daarom ook maar schrappen.

Er blijft genoeg over, onder meer het Gladstone’s Land. Het huis is gebouwd door een rijke koopman aan het eind van de 17e eeuw en door de Scottish Trust in oorspronkelijke staat Afgeronde rechthoek: Thomas Muir of Huntershill (Words & Music : Adam McNaughton)    My name is Thomas Muir as a lawyer i was trained  (Remember Thomas Muir of Huntershill)  But you've branded me an outlaw, for sedition I'm arraigned  (Remember Thomas Muir of Huntershill)  But I never preached sedition in any shape or form  And against the constitution I have never raised a storm  It's the scoundrels who've corrupted it that I want to reform  (Remember Thomas Muir of Huntershill)    M'lord, you found me guilty before the trial began  And the jury that you've picked are Tory placemen to a man  Yet here I stand for judgement unafraid what may befall  Though your spies were in my parish Kirk and in my father's hall  Not one of them can testify I ever broke a law    Yes, I spoke to Paisley weavers and addressed the city's youth  For neither age nor class should be a barrier to the truth  M'lord, you may chastise them with your vitriolic tongue  You say that books are dangerous to those I moved among  But the future of our land is with the workers and the young    Members of the jury, it's not me who's being tried  200 years in future they will mind what you decide  You may send me to Van Dieman's Land or clap me in the jail  Grant me death or grant me liberty my spirit will not fail  For my cause it is a just one and my cause it will prevail    With quiet words and dignity Muir led his own defence  He appeared completely blameless to those with common sense  When he had finished speaking the courtroom rang with cheers  Lord Braxfield said, 'This outburst just confirms our greatest fears'  And he sentenced Thomas Muir to be transported 14 years    Gerrard, Palmer, Skirving, Thomas Muir and Margarot  These are names that every Scottish man and woman ought to know  When you're called for jury service, when your name is drawn by lot  When you vote in an election when you freely voice your thought  Don't take these things for granted, for dearly were they boughtingericht.

Op diverse plaatsen staan mimes. Een bijzonder luidruchtige is Bravehart. Hij collecteert voor de verandering eens niet voor zichzelf, maar voor beenmergtransplantaties. Een kleine bijdrage later is hij ook meer dan bereid de arme MacKnorf te bedreigen. Het wordt een geweldige foto.

Verder lopen we een rondje lang Old Town en een deel van New Town. We passeren daarbij een groot deel van de beroemde punten van de stad, waaronder de obelisk van Thomas Muir (Zie ook aparte tekst), het observatorium en het permanent onaffe denkmahl voor de gevallenen in de Napoleontische oorlogen.

Niet te vermijden is ook het eredinges voor de schrijven Sir Walter Scott. Goed, toegegeven. We hebben allemaal genoten van Ivanhoe, als was het alleen maar omdat het in Castle Doune is verfilmd. Maar om daar nu een eredinges voor neer te zetten…  Geef zo’n man toch gewoon een standbeeld en duiven om er op te schijten en laat hem verder met rust. Het heeft niet zo mogen wezen. Wie ooit in Edinburgh komt en denkt “wat is dat voor een lelijk ding”: het is de eredinges van Sir Walter Scott.

Een volledige opsomming van alles wat we hebben gedaan is ondoenlijk. Laat ik alleen tot slot optekenen dat we smakelijk hebben gegeten in de World’s End.

 21 mei ’07

Dit is de 2e volle dag Edinburgh. We ontbijten andermaal op de kamer, waarna we koers zetten richting New Town. Op Charlotte Square zijn twee panden van The Trust. Hoewel we winst hebben gemaakt op het abonnement, is er geen enkele reden dit niet nog wat verder uit te bouwen. Dit deel van de stad is ontwikkeld in de 18e en 19e eeuw. Als tegenhanger van de Old Town moest er een ruim opgezette stad ontstaan zoals Parijs en Wenen. Die opzet is gelukt. Vooral rond George Street zijn een aantal ruime lanen en pleinen. In het ontwerp is rijkelijk rekening gehouden met de vestiging van de betere koffieketens, dus alles loopt op rolletjes. Charlotte Square nr 7 is volledig ingericht naar de mode en stijl uit die periode. Dit is aangevuld met een uitstekende DVD over het leven van de gegoede middenstand/verarmde adel uit die tijd.

Het is mooi weer, en dus een mooie gelegenheid om naar en door de Botanic Garden te lopen. Met name ik had nog zeer goede herinneringen aan de keer dat we er voor onze studie heen moesten. Vooral de boomvarens en reuzepaardenstaarten hebben toen diepe indruk op me gemaakt. De tuin op zich is gratis, alleen voor de kassen moet worden betaald. Voor iedereen die van planten houdt is het advies: gewoon doen. Ze zijn bijzonder goed onderhouden, goed op biotoop ingericht en hebben een enorme verscheidenheid aan soorten.

Ons vorige bezoek heeft ons twee zwartwit foto’s van bedenkelijke kwaliteit opgeleverd. Nelleke voegt daar nu tientallen fantastische aan toe, terwijl ik de zwartwit foto’s “over” maak.

We houden tijd genoeg over om terug te wandelen naar de Royal Mile en daar in de Tolbooth de tentoonstelling “The People’s Story” te bekijken. Hier wordt geprobeerd het leven van “de gewone man m/v” in de geschiedenis van Edinburgh te bekijken. De tentoonstelling leidt zwaar onder de poging om in een beperkt aantal kleine ruimte het verhaal van eeuwen van het gewone volk weer te geven. Het geheel is daarom een fragmentarische verzameling van voorwerpen en displays. Een soort rariteitenkabinet van de geschiedenis van een stad. Maar het is gratis, en een gegeven paard mag je niet in de bek kijken. In combinatie met het hulpvaardige personeel van the Tolbooth is het eigenlijk best een leuk uitstapje.

Na een korte siësta wordt het tijd om een restaurant te scoren. Na vele restaurants te hebben bekeken eindigen we in Deacon Brodie. Deze Brodie is nooit The Brodie geweest. In feite is dit zwarte schaap der Brodies alleen maar opgehangen op de plek waar nu het restaurant is.

Deacon had zich opgewerkt tot magistraat. Helaas verspeelde hij het familiekapitaal, waarna hij zijn positie misbruikte om op het juiste moment en op de juiste plaats in te breken.

Na zo’n twee jaar liep hij tegen de lamp, of beter gezegd tegen de galg.

Zijn leven heeft model gestaan voor de verhalen over Jekyil & Hyde. In een stad waar misdadigers en geesten hoog staan aangeschreven doet zo’n verhaal het best. Bovendien had Oscar het restaurant aangeraden en die snapt lekker eten.

Het eten is prima (Cullen Skink), alleen de ober valt me op door zijn gedrag. Als test bestel ik wat in het Nederlands en jawel, het is een Nederlandse werkstudent. Hij vindt het ook leuk herkend te worden en zegt ons hartelijk gedag als we vertrekken.

We besluiten met een wandeling langs Greyfriars, een kerk en kerkhof met veel historie. De beroemdste is het verhaal van het hondje Bobby, dat 14 jaar op het graf van zijn baasje heeft gezeten. Daarna is hij door de bevolking naast zijn baas begraven met een mooie steen en een eigen beeld. Ook heeft men hier de Covenanters opgesloten toen die, ook na blessuretijd, hun wedstrijd met de Royalisten hadden verloren. Gewoon opsluiten in een ommuurd deel van het kerkhof en je hebt nergens last meer van. Het waren vrolijke tijden.

Dat geldt ook voor ons. Ik fotografeer het beeld van William Chambers. Op de voorkant van de sokkel staat wie hij was (W.C. dus), op de drie andere zijden staan per kant een schone vrouw in verleidelijke houding. Nelleke besluit dat dit het moment is om haar carrière als mime te starten en de houdingen van de dames in kwestie na te doen. Laat ik het zo samenvatten: we hebben in een deuk gelegen, maar ik houd mijn baan nog maar even aan.

22 mei 2007.

Vandaag beginnen we echt aan de terugreis. Zonder enige spijt nemen we afscheid van de Travelodge. De vriendelijke jufrouw achter de balie vraagt of ik nog klachten heb. Die hebben we eigenlijk wel. Haar collega van de middagshift heeft twee keer de kamerkaarten geprogrammeerd, waardoor we steeds werden buitengesloten, er kwamen na een dag wel degelijk niet-roken kamers vrij en de parkeerkaart is verkeerd geprogrammeerd. Vervolgens heb ik kift met haar gehad omdat ik bij de derde fout weigerde opnieuw een kwartier in de rij te gaan staan. We besluiten tot een Shoarma d’Honneur Bronze voor de juffrouw van de middagdienst. Vervolgens blijk ik klem geparkeerd te zijn. We wegen de hulpvaardigheid van het hotel af tegen de schoonheid van het perkje naast de auto. In de UK legt men alles op video vast. Het heet CCTV[26] of op zijn Nederlands: Big Brother is watching you.

Ik ga er van uit dat bij het terugkijken van de beelden duidelijk is dat hier 1. Sprake was van een noodsituatie en 2. Er weloverwogen en zonder blikschade is opgetreden. Vervolgens rijdt ik het perkje krachtdadig plat.

Hierna zetten we koers richting Rosslyn. Hier staat een prachtige kapel. Door de DaVinci Code (boek & film) is de Tempeliers kapel zo beroemd geworden dat hij op de shortlist van Nelleke terecht is gekomen. En terecht. Ter bescherming is de buitenkant ingepakt in steiger en golfplaat, maar daaronder zit een van de fraaist bewerkte kapelletjes die we kennen. We kunnen rustig rondkijken want we zijn zo ongeveer de eersten die bij de kerk aankomen.

In de kerk heb ik een van de vreemdste ervaringen van deze en eigenlijk van vele vakanties.

Het is helder dat dit een toeristisch hoogtepunt is. Minstens zo duidelijk is dat ze er veel aan doen om de kerk te onderhouden en restaureren. Dat er dan ook een sopraan klinkt die religieuze liederen te gehore brengt, is niet heel wonderbaarlijk. Ik vind het wat ver gaan, maar moet toegeven dat het wel een fantastische stem is.

Onder de kerk zit een crypte. Met mooi glas in lood en een aantal beelden. Het gezang klinkt hier luider en eigenlijk wel héél erg mooi. De kerk heeft één probleempje. Er wordt gerestaureerd, en dan moet je soms wel eens wat stukjes kerk tijdelijk ergens neer leggen. Dat gebeurt in een kamertje naast de crypte. Nu ben ik en nieuwsgierig, en van mening dat als iets opzij wordt gelegd om te bewaren het ook de moeite is om te bekijken.

Dus stap ik er maar even binnen. De geluidsinstallatie en ik schrikken ons het lazarus. Het blijkt dat een klassiek zangeres eerder is binnengelaten en een rondleiding krijgt. Omdat ze dacht nog alleen te zijn stond ze voor haar lol te galmen in het hokje. Maar wel met een stem die de hele kerk kan vullen.

Het lijkt me niet het moment om stenen aan een nader onderzoek te onderwerpen, dus ik verontschuldig me (en zij zich voor de herrie die ze maakte) en vertrek.

Als ze even later tevoorschijn komt kan ik het toch niet laten even Fozzie Bear te citeren: “Zet was beautiful!”. Ze bedankt me en zegt nog wel wat te kunnen zingen. Haar rondleidster denkt daar anders over, maar als ik even later weer boven in de kerk zit, klinkt het gezang weer vanuit het vooronder. Ik zit het met veel genoegen uit.

Zitten en luisteren geeft je ook de mogelijkheid op je gemak naar de details te kijken. Het is niet te geloven hoe prachtig Rosslyn is bewerkt.

Iedereen gaat naar de kerk. Er achter ligt een kasteelruïne. Die wordt dus door helemaal niemand bezocht. We breiden het bezoek iets uit. Er staat niet veel meer, maar is een leuke wandeling. Zeker als je er van uitgaat dat het vandaag 17 gaden is en daarmee verreweg de heetste dag op de Iers/Schotse reis.

Vanaf Rosslyn begint een scheurtocht richting zuiden. Eerst naar de Schots Engelse grens. Sinds drie eeuwen geen staatsgrens meer, maar wij denken dat dit een tijdelijke zaak is. De ontelbare Schotse vlaggen, afgezet tegen het volstrekte Engelse onbegrip lijken een splitsing onafwendbaar te maken.

Op de grens hangt een herinneringspapiertje voor Piper Dave. Dertig jaar lang heeft hij deze plek voorzien van zijn vrolijke muziek, en nu is hij dood. Met een variant op een al eerder gebruikt thema geldt hier “The Piper is dead, long live the Piper!”. Bij de grenssteen laat een nieuwe toeteraar talentloos maar met veel enthousiasme zijn luchtzak in de drones leeglopen.

Op dat moment zijn we er al in geslaagd ons Schotse Geld uit te geven of om te wisselen.[27]

Wij scheuren verder, zwaaiend naar de Hadrian Wall en koffiedrinkend bij “Simply Dutch”.

Redelijk bijtijds komen we bij York aan. Het vinden van onderdak valt wat tegen.

We eindigen in B&B The Crescent Farm in Upper Poppleton in Yorkshire. Om nog iets van het Engelse landschap te zien rijden we een rondje met stops in Kirk Hammerton (mooie kerk) en Beningbrough (mooi landgoed, vooral als je op tijd bent). De meest opmerkelijke items onderweg zijn de spoorwegovergangen. Meer dan dertig jaar geleden had men hier al draaibare hekken die of het spoor, of de weg afsloten. Je zou denken “AHOB”, maar dat past niet in de conservatie gedachte van de museumstaat. De ander is een brug die te lullig is voor woorden. Het blijkt een tolbrug waar we aan een tenminste 2x gepensioneerde 40 p betalen.

Daarna zit de dag er wel op. We hebben alleen nog de maaltijd te gaan. Daarvoor gaan we naar The Red Lion aan de andere kant van de straat waar ons B&B aan ligt. Het menu op tafel vermeldt Deep Fried Cananber with Warm Blueberry Jam. Dat klinkt goed. Alleen Cananber? Gelukkig hangt er ook nog een groot bord boven de bar waarop het menu staat aangekondigd. Het gaat hier, volgens dit bord, om Canembert! Ik zou ze de tip willen geven om over te gaan op Brie. Doen de Schotten ook. Net zo lekker en véél makkelijker te spellen.

23 mei 07

Onze laatste vakantiedag begint met de laatste strijd met de Angelsaksische kranen.

Want laten we nu wel wezen, je hebt een warm waterkraan en een koud waterkraan. Bij een douche combineer je die tot mengkraan. Eventueel een handeltje voor “douche” en “kraan” en that’s it. Het kan nog eenvoudiger. Grohe kranen bijvoorbeeld combineren hard/zacht en warm/koud in één overzichtelijke bol met handel.

In het Angelsaksisch taalgebied lijkt het sport de constructie zo ingewikkeld en inefficiënt mogelijk te maken. Vandaag zijn het twee grote schijven die achter elkaar zitten. Ze zijn zo groot dat je ze niet makkelijk met een hand kan bijstellen. De voorste ring is hard/zacht, de achterste warm/koud met een schaalverdeling van 1 tot 10. Door de uitvoering is het vrijwel onmogelijk de kraan harder of zachter te zetten zonder de temperatuur te veranderen. Daarbij moet worden opgetekend dat bij temperaturen > stand 3 er serieus verbrandingsgevaar optreedt.

En dit is dan nog een relatief simpele uitvoering onder de vele die we hebben ontmoet.

Na negen keer USA durf ik de stelling aan dat alleen al aan de hand van de kranen kan worden aangetoond dat er veel Amerikanen afkomstig zijn uit het Angelsaksisch gebied J.

De laatste vakantiedag maak je altijd vol. Het is een soort uitgesteld naar huis gaan. Zo ook vandaag. We beginnen met ontbijt. Nelleke heeft één eitje en dat is genoeg om de B&B eigenares te ontregelen. Ik krijg “the Full”. Dat heeft altijd iets onzekers. Ei, worst en spek zijn zeker. Tomaat is waarschijnlijk. En dan is er nog iets. Vandaag is dat in verse reuzel gebakken chips. Ik krijg het niet helemaal weg J

Upper Poppleton is vlak bij de P&R naar York. We beginnen met een stuk ruïne van de stadsmuur en het oude ziekenhuis. Er liggen diverse stenen doodskisten op het terrein. Vroeger was men dus ook al beperkt succesvol.

Van daar gaan we naar de kathedraal. Na ons vorige bezoek is deze in 1984 volledig afgebrand. Althans, dat was het verhaal. In werkelijkheid is het dak van een zijbeuk in vlammen opgegaan door blikseminslag. En dat heeft de kerk goed gedaan. Er is veel meer en veel beter gerestaureerd dan anders het geval zou zijn geweest. De tocht begint met het beklimmen van de toren. Tenslotte hebben we beide hoogtevrees en dat moet je onderhouden. Daarna is de rest van de kerk aan de beurt. Het aantal details is niet te tellen.

Na het bezoek is het voor mij tijd om een religieuze daad te stellen. Een zendeling bekeert me tot Starbucks. Ik krijg een creditkaart als bewijs.

York is een leuke stad voor een uitgebreide wandeling. We bekijken onder meer de resten van het Cliffords Castle. Wederom zo’n fijne plek voor hoogtevrees en een goede plek voor het fotograferen van Sir Knorf, the Duke of Pigshire” (spreek uit: picture).

Uiteindelijk lopen we over de restanten van de stadsmuur terug naar de P&R. Delen van de muur zijn nog Romeins, zoals zo veel in deze omgeving (Wegen, resten van kampen etc.).

Veel te vroeg rijden we richting Hull voor de overtocht naar Rotterdam. In Hull zie ik borden met “The Deep”. Wie vier uur over heeft, zoekt wat te doen. Dus volgen we de borden die ons naar een enorm gebouw op een industrieterrein bij the Docks brengen. Hier zit een enorm aquarium met allerlei audiovisuele grappen. De ontstaansgeschiedenis van de aarde, de evolutie in het water en milieubedreiging is heel goed uitgewerkt. Knap is, dat ze je langs een aquarium leiden waar je een keer of zes, zeven langs komt terwijl je het idee hebt steeds nieuw dingen te zien. Haaien, roggen, grote baarzen: het is er allemaal.

Dan is het tijd[28] om naar de boot te gaan. Het is hier anders georganiseerd dan in Frankrijk: We kunnen direct aan boord. Nog geen half uur later zijn we op jacht naar koffie. Met 21o C hebben we de warmste dag van de vakantie er op zitten. Nog 12 uur varen en we zijn thuis.

 



[1] Ten minste één zoon is tegen. Hij vindt skiboxen verwerpelijk. Een echt mens knoopt zijn spullen op de imperiaal. De imperiaal lijkt echter uit het straatbeeld verdwenen.

[2] Jawel, “dat” dorpje! (heel Gallië?)

[3] Een kleine week later wordt Nicolas Sarkozy de volgende president van Frankrijk.

[4] Voor hen die tegen mijn taalgebruik protesteren: Het is bocht. Zelfs de immer enthousiaste Jean Michel stelt vast dat dit “minder kwaliteit” heeft dan de vorige fles.

[5] Goed toegegeven, ook van deze grot heeft nooit iemand gehoord, maar hun leien liggen onder andere in Parijs in de Opera en in the Houses of Parliament in Londen

[6] Navraag leert dat de boot inderdaad een afgeschreven Nederlands product is.

[7] Naar wij aannemen onder meer de met de heilige Oisan. Overigens is deze niet heilig binnen het Christendom.

[8] Vraag me niet wie zoiets vaststelt, maar ergens in onze infotheek staat dat dit is uitgezocht.

[9] Beide kreten komen van de borden. An Gaeltacht staat voor gebied waar men overwegend Gaelic spreekt. Geill Sli is voorrang verlenen.

[10] Bepaald type veen dat over de harde ondergrond heen ligt. Blanket bogs kunnen alleen in heel vochtige gebieden ontstaat, anders is een dal noodzakelijk

[11] Toegegeven, bij de prijs waren drie CD’s van Matt inbegrepen.

[12] Wikipedia: Dublin is in het Iers Baile Átha Cliath, dat stad aan de doorwaadbare plaats (van de rivier Liffey) betekend

[13] Ok, ik verzin hem te plekke, maar met behulp van Les Prenenz moet dit wat kunnen worden. Prijzen voor de grootste runderen en schapen in de toeristische sector. Zo herinneren wij ons De Shoarma d’Honneur d’Or voor een ober in Monaco en een oeuvreprijs voor het schaap van Neckermann in de Dominicaanse Republiek.

[14] De volgende dag vinden we ook een Starbucks, waardoor we onze veronderstellingen tav Insomnia kunnen onderzoeken en bevestigen.

[15] Hier heet het the Book of Kells

[16] √ = woord en gebaar van Nelleke als ze vind dat een plaats voldoende is bezocht: Check!

[17] Zijnde de 1e afslag in België naar de plaats Nieuwpoort waar in 1600 die slag plaatsvond.

[18] We hebben Men in Black 1 & 2 meerdere keren gezien, vertel ons wat.

[19] The Dead Albatros Award.

[20] Nelleke is van mening dat heiligen van voor pakweg 1500 een “Fargo behandeling” kregen: Gewoon door de hakselaar en iedere kerk in de omgeving een stukje als relikwie. Door zijn rekbare mening over het begrip “neutraal” is the Bruce nooit heilig verklaard. Toch lijken ook zijn fans de stoffelijke resten onderling verdeeld te hebben.

[21] Deze opmerking komt geheel voor rekening van Rob. M.i. is Schotland mooi en Skye ook. It’s a tie. CAKVM.

[22] Samenvatten: McDonald is ok, andere clans veel minder & vertrouw nooit Engelsen.

[23] Bron: Wikipedia

[24] In feite brulden ze een variant op Guardez  l’eau, maar probeer een Schot maar eens Frans te laten spreken.

[25] Ik heb niet kunnen achterhalen of dit een actief of passief proces was/

[26] Closed Circuit Television.

[27] In Schotland is valsmunterij legaal. Iedereen met een eigen drukpers geeft eigen geld uit. Dat is niet erg omdat iedereen dit valse geld accepteert. Enige voorwaarde lijkt een heldhaftig Schots plaatje te zijn. Engelsen accepteren dit geld niet. Dat het een staat op één eiland is interesseert ze niet. In musea moet wel alles in orde zijn!

[28] Bill vindt dat we moeten zeggen: DE is tijd om naar de boot te gaan; hij heeft verstand van lidwoorden.

 

Afgeronde rechthoek: Even wat meer algemene dingen over Ierland. Ze hebben zich zo’n 80 jaar geleden vrij weten te knokken van de Engelsen. Volgens goed Engels gebruik lieten die een failliete boel achter. Een aantal mislukte aardappeloogsten in de periode 1845 - 1850 werden door hen “gecompenseerd” met huisuitzettingen inclusief verbranden van de woningen. Veel Ieren hebben in die periode Amerika “ontdekt”. Voor Co. Mayo betekende dit dat de bevolkingsaantallen door sterfte en emigratie zijn teruggelopen van 500.000 naar 115.000. Als men je huis in de fik heeft gestoken, stop je geen tijd in het opruimen van de ruïne, zeker niet als je de boot naar Amerika nog moet halen. Het hele land is dus vergeven van de ruïnes. Vreemd genoeg blijven kerkhoven wel in gebruik. Je kunt dus een totaal vervallen abdij in combinatie met een gebruikt kerkhof tegen komen. Inmiddels gaat het goed met Ierland. Voor counties als Mayo heeft dat weinig effect. De zuigkracht van Dublin als economisch wonder is zo groot dat de ontvolking in een veel lager tempo doorzet. Rijke Ieren keren wel graag terug naar zo’n gebied. Ze nemen kasten van huizen mee. Verder hebben de Ieren zich behoorlijk aan de Engelsen ontworsteld: ze hebben de euro en het metrieke stelsel. Hun verkeersborden lijken niet meer op de Engelse (ze zijn een beetje Amerikaans). Door het schrappen van witte bonen en het toevoegen van black pudding is het Irish breakfast ontstaan. Er zijn ook nadelen. De Engelsen hebben het Gaelic onderdrukt, dus alle naambordjes zijn nu tweetalig. Zoiets als in Amsterdam ook consequent alles in het Fries. En soms vallen de afstanden tegen. Dan heb je net een oud bord met mijlen gehad.